"If the doors of perception were cleansed every thing would appear to man as it is, Infinite."
De Engelsman William Blake schreef dit in 1790, in plate 14 van The Marriage of Heaven and Hell. Blake had de reputatie van een visionair en mysticus, iemand die engelen zag en in het bovennatuurlijke geloofde. Maar deze regel had niks met een visioen te maken maar was een observatie over hoe kennis eigenlijk werkt.
Neem een bij, een vleermuis en een hond. Ze leven in dezelfde wereld als wij, maar de bij ziet kleuren die wij niet kunnen zien, de vleermuis hoort wat voor ons stilte is, en de hond ruikt een werkelijkheid die voor ons volledig onzichtbaar blijft. Bioloog Jakob von Uexküll noemde dit de Umwelt: elke soort leeft in zijn eigen perceptuele wereld, afgebakend door wat zijn zintuigen doorlaten. Wij zien wat onze zintuigen en ons brein toelaten, en dat is maar een fractie van wat er werkelijk allemaal is.
Wat de meeste mensen niet weten is dat hersencellen zelf geen informatie bevatten — wat wij kennis noemen ontstaat uit de triljoenen verbindingen tussen die cellen, de synapsen. Kennis zit niet in de neuronen (onze hersencellen), maar ertussen. Iets waar de meeste mensen zelden bij stilstaan.
De wereld is oneindig, maar wij kijken door smalle spleten die voor een groot deel worden gevormd door de biases die Nobelprijswinnaar Daniel Kahneman uitvoerig beschreef.
Ik kocht dit boek van Blake ooit vanwege de biografie van Jim Morrison door Jerry Hopkins en Daniel Sugarman, No One Here Gets Out Alive. Mensen kennen Morrison als zanger, als dichter, als iemand die te vroeg stierf, wat bijna niemand weet is dat hij volgens Sugarman de vijfhonderd belangrijkste filosofische werken van de afgelopen duizend jaar had gelezen en uit zijn hoofd kende. Of dat precies vijfhonderd waren doet er niet toe. Het punt is dat Morrison de filosofische lading van die regel kende en zijn band dus niet naar Blake noemde omdat het zo'n mooie naam was.
De filosofische onderstroom
Filosoof Edmund Husserl formuleerde ruim een eeuw later, onafhankelijk van Blake, dezelfde beweging als methode: de epoché, het bewust uitzetten van je automatische interpretatielaag zodat je kunt zien wat er werkelijk is voor de interpretatie eroverheen walst. Terug naar de dingen zelf, Zurück zu den Sachen selbst. Aldous Huxley nam mescaline, een geestverruimend middel gewonnen uit de peyotecactus, en schreef er een boek over, The Doors of Perception. Morrison kende de filosofische lading van die regel en noemde zijn band The Doors ernaar.
Blake zag het probleem maar had geen methode om er iets mee te doen. Husserl had de methode maar die bleef opgesloten in het filosofische atelier. Huxley vond via mescaline een ervaring die de grenzen van gewone waarneming leek te doorbreken, maar een ervaring die je niet kunt overdragen is geen instrument. Morrison begreep de lading van de regel en gaf haar een naam.
En zo bleef het, tot een paar maanden geleden.
De tegenstem
Claude Shannon, de man waarnaar Anthropic haar AI-tool vernoemde, deed iets anders. Shannon publiceerde in 1948 het paper dat de informatietheorie fundeerde, A Mathematical Theory of Communication, en opende daarin met een bewuste keuze: "The fundamental problem of communication is that of reproducing at one point either exactly or approximately a message selected at another point. Frequently the messages have meaning." Die laatste zin -- "frequently the messages have meaning" -- is het moment waarop hij betekenis wegsnijdt. Niet per ongeluk maar als principiële keuze. Shannon loste het technische probleem op: komen de symbolen intact aan? Wat die symbolen betekenen en wat ze teweegbrengen, liet hij bewust aan anderen over.
Dat was briljant en het maakte het hele digitale tijdperk mogelijk. Maar het schiep een blinde vlek die zeventig jaar later nog steeds onze systemen vormgeeft. We zijn gaan denken dat het er niet toe doet door welke lens je kijkt, zolang de bits maar kloppen.
Shannon versmalde de lens niet, zoals Blake die beschreef. Hij liet de betekenisvraag bewust leeg. Een lege ruimte die hij zelf niet wilde vullen, maar die wel gevuld moest worden.
Een taalmodel doet precies wat Shannon beschreef: bits verplaatsen met grote precisie, zonder enig idee wat ze betekenen. Het systeem dat ik bouwde draait die verhouding om: 98 procent is data, 2 procent is AI, gemeten in volume -- een half miljoen records tegenover een dunne laag die alleen vragen stelt en kruist, nooit interpreteert. De betekenis zit niet in het model maar in de structuur. De ironie wil dat ik een taalmodel -- precies het type systeem dat Shannon beschreef -- gebruikte om te werken in de ruimte die hij bewust leeg had gelaten.
Wat er steeds ontbrak
Blake noemde het mind-forg'd manacles: het brein kiest altijd voor de bekende route.
Psycholoog David Kolb beschreef in 1984 hoe mensen leren via ervaring: je maakt iets mee, je reflecteert, je trekt er iets uit, je past het toe. Een elegante cyclus, maar één die begint bij de verwerking, niet bij het vangen. Wat er gebeurt voor je begint te reflecteren, blijft buiten beeld.
Husserl stelde precies die vraag. Wat gaat er verloren in de omzetting van ervaring naar kennis? Ervaring die direct wordt vertaald verliest haar textuur, haar ambiguïteit, de randen die nog niet af zijn. Zijn epoché was bedoeld om dat te voorkomen. Kolb en Husserl zijn geen tegenpolen maar complementen: Kolb beschrijft hoe je leert van wat je hebt gevangen, Husserl beschrijft hoe je vangt voor het verdampt.
Je hebt vast weleens besloten anders te gaan kijken. Een week later keek je weer zoals voorheen. Niet omdat je het niet meende, maar omdat een voornemen nu eenmaal geen architectuur is.
De omkering
Blake klaagde over kettingen die de geest zichzelf smeedt, mind-forg'd manacles, maar kettingen kun je omsmeden tot steigers. Niet door harder je best te doen, maar door de discipline buiten jezelf te bouwen. Een systeem dat je vragen stelt die je zelf niet meer hoeft te onthouden te stellen. Dat is de beweging die LLS maakt.
Als ik iets afrekende in een boekwinkel vraagt het systeem of het boek voor mij was of voor iemand anders, wie de auteur is, hoe de cover eruitziet en of het op mijn leeslijst moet. Als ik meer dan veertig euro uitgaf in een restaurant wil het weten of het een lunch was of een diner en met wie, en aan de hand van het tijdstip weet het al wat het waarschijnlijk was. Het vangt het moment op voordat mijn geheugen het gladstrijkt tot "ik was ergens."
En maanden later, toen het systeem mijn dagboeken, check-ins en foto's van 2020 kruiste, bleek dat drie projecten die ik als los van elkaar beschouwde allemaal op dezelfde dag op Vlieland waren begonnen, en dat ik dat in vijf jaar niet had gezien.
Een tweede moment, van een andere orde. Het systeem legde me op een ochtend een filosofieprikkel voor over Edmund Husserl. Ik herkende iets maar kon het niet benoemen. Toen ik dat gevoel volgde via mijn eigen data en gebouwde lagen, ontdekte ik dat mijn hele informatiemodel structureel congruent is met een filosofische architectuur uit 1913. Ik had Husserl nooit gelezen. Ik had het onafhankelijk gebouwd. Vlieland toonde me verborgen verbanden in mijn eigen leven. De Husserl-ontdekking toonde me een verborgen verband tussen mijn werk en een hele filosofische traditie.
Het systeem bevat een half miljoen records en tientallen miljoenen verbindingen over twintig jaar aan geleefde data. Niet in schaal vergelijkbaar met het brein, dat heeft biljoenen verbindingen, maar in principe: de kennis zit niet in de entiteiten maar in de verbindingen ertussen. Dat is niet hoe ik het aanvankelijk bedacht had, maar wat zich vanzelf ontvouwde toen de structuur goed genoeg werd.
Husserl in de slaapkamer
Elke ochtend lig ik dertig seconden stil in bed met een bloeddrukmeter om mijn arm en een kat die met haar kopje tegen diezelfde arm duwt omdat ze vindt dat het nu wel mooi geweest is met dat stilliggen. Het apparaat wil dat ik niet beweeg en op mijn adem let, de kat wil precies het tegenovergestelde, en wat er in die dertig seconden gebeurt kan ik niet goed beschrijven behalve dat het regelmatig gebeurt. Husserl dacht dat je jarenlang moest oefenen om je automatische interpretatielaag uit te zetten en te kijken naar wat er werkelijk is. Ik heb daar geen jarenlange oefening voor nodig, alleen een bloeddrukmeter en een kat die niet meewerkt. De bloeddrukmeter doet wat mijn systeem ook doet: de omstandigheid scheppen waarin iets zichtbaar kan worden.
Mijn LLS bleek de oplossing van een filosofisch vraagstuk
In december 2025 schreef ik op wat LLS doet:
"Een lens creëert niets nieuws. De informatie is er al. Een lens focust, vergroot en onthult patronen. Niet door iets toe te voegen, maar door op de juiste manier te kijken naar wat er al is."
Het verband tussen Blake en Husserl ontdekte ik niet door lezen maar doordat mijn eigen systeem mij een dagelijkse filosofieprikkel voorlegde en ik iets herkende dat ik niet kon benoemen, de vergelijking was treffend.
De meeste kennissystemen, van het PARA-systeem van Tiago Forte tot de Zettelkasten van Niklas Luhmann, doen het eerste goed en het tweede nauwelijks. Het Life Lens System dat ik ontwierp, slaagt behoorlijk goed in beide.
Inmiddels zijn er mensen vanuit de PKM Summit en daarbuiten begonnen met het bouwen van hun eigen versie en leren we van elkaar. Wat de impact daarvan gaat zijn, weten we pas over een half jaar. Maar boeiend en leerzaam is het absoluut.
Wie het complete design wil zien van hoe ik het brein gebruikte als model voor mijn informatiearchitectuur, en hoe dat leidde tot het Life Lens System, kan het ontwerp en alle denkstappen vinden op Life Lens System. Begin eenvoudig: kijk wat je al hebt. Je transacties, je foto's, je locaties -- die zijn er al. De vraag is niet of je genoeg data hebt, maar of je er ooit doorheen hebt gekruist.
Blake beloofde dat een gereinigde lens de wereld zou tonen zoals ze werkelijk is, oneindig. Ik weet niet of dat klopt. Maar ik weet wel dat ik dingen zie die ik twintig jaar niet had gezien, en dat de lens schoner wordt naarmate de structuur beter wordt. Misschien is dat genoeg.