Martijn Aslander

February 22, 2026

Ik stuitte op iets geks in kankeronderzoek en ging graven

Als generalist zag ik een verband dat vier domeinen blijkbaar over het hoofd hadden gezien. Of het klopt is aan anderen.

Ik zat onder een amandelboom op Cyprus en moest denken aan een gesprek met een goede vriend over blauwzuur in amandelpitten en kanker. Ik had er niet eerder van gehoord, en het klonk als niet onaannemelijk maar ook zeker niet bewezen. Ik had hier alle tijd en rust, dus ik dook erin.

De blinde vlek in een vijftig jaar oud debat

Amygdaline is de stof in bittere amandelpitten en abrikozenpitten waar deze gedachte allemaal om draait. Het debat erover loopt al vijftig jaar en is verhit. De ene kant noemt het een wondermiddel, de andere kant noemt het vergif, en beide kanten hebben voor een deel gelijk.

Amygdaline breekt in je lichaam af tot drie stoffen: glucose, waterstofcyanide en benzaldehyde. In de grote trials, de juridische procedures en zelfs de congreszittingen in de Verenigde Staten ging het vrijwel uitsluitend over de vraag: doodt cyanide selectief kankercellen en laat het de gewone cellen intact? De FDA verbood het en de trials die er op volgden bevestigden dat besluit. Het dossier werd gesloten.

Tot zover bevestigde mijn onderzoek ongeveer mijn vermoeden. Maar de bijvangst in mijn zoektocht viel moeilijk te negeren. Er klopte iets niet.

Het verkeerde molecuul onderzocht

Wat er gebeurt als je op amandelpitten kauwt: de amygdaline in de pit komt in contact met enzymen en breekt af. In het amygdaline-debat ging alle aandacht naar het waterstofcyanide. De derde stof, benzaldehyde, de stof die de amandelsmaak veroorzaakt, werd wel benoemd maar verder niet onderzocht.

Er wáren wel onderzoekers die naar benzaldehyde keken, maar die werkten in andere vakgebieden en waren met andere onderzoeken bezig dan het amygdaline-debat. En het amygdaline-debat verwees niet naar hen.

Een van die onderzoekers was Jun Saito. Ze is de dochter van een van de onderzoekers die betrokken waren bij het benzaldehyde-werk in de jaren tachtig. Die kennis was niet via het wetenschappelijke citatienetwerk doorgegeven, maar via een ouder aan zijn kind. Dat zegt iets over hoe onderzoekslijnen kunnen sterven als er geen institutioneel geheugen is om ze te dragen.

In mei 2025 publiceerde Saito met collega's een studie in de British Journal of Cancer waarin ze lieten zien dat benzaldehyde een specifieke eiwit-interactie verstoort, tussen 14-3-3ζ en het gefosforyleerde histon H3S28ph. Kort gezegd: benzaldehyde blokkeert een overlevingsroute waar kankercellen van afhankelijk zijn. Haar paper verwijst nergens naar amygdaline, en ook niet naar de onderzoeken van Kochi. Dat verband voegde ik dit weekend toe.

Kankercellen die resistent zijn geworden tegen bestaande therapie hebben juist die hoofdroute versterkt om de chemotherapie te overleven. Ze zijn er afhankelijker van geworden. Benzaldehyde verstoort precies die route. Hoe beter een kankercel bestand is tegen chemotherapie, hoe kwetsbaarder hij lijkt te zijn voor benzaldehyde.

Maar dit is een resultaat van één studie en van één groep die nog niet onafhankelijk is gerepliceerd.

Vergeten resultaten uit 1980

Via de Saito-studie kwam ik bij ouder werk terecht. In 1980 publiceerden Kochi en collega's in Japan een studie waarin ze benzaldehyde in een gestabiliseerde formulering gaven aan terminale kankerpatiënten. Ongeveer de helft van de evalueerbare patiënten reageerde positief. Een vervolgonderzoek in 1985 met een andere formulering meldde vergelijkbare resultaten.

Die resultaten waren niet weerlegd of teruggetrokken, maar er was wel een replicatiepoging door Taetle et al. in 1983 die geen activiteit vond. Dat moet ik er eerlijk bij zeggen. En los daarvan werden de Kochi-studies simpelweg niet opgepakt. Ze hadden geen mechanisme om de resultaten te verklaren, dus er was niks om op verder te bouwen. Ze verdwenen in het archief.

Veertig jaar later beschrijft de Saito-studie een mechanisme dat zou kunnen verklaren wat Kochi waarnam: de resultaten bij sommige patiënten, de weinige bijwerkingen, en het feit dat cyanide er niks mee te maken had. Het verband is plausibel maar niet bewezen.

Er werd hard gerekend aan het verkeerde molecuul

Ineens zag ik een derde stukje.

Toen ik verder zocht bleek het sterkste argument tegen amygdaline als medicijn een rekensom te zijn. Om in een laboratorium kankercellen te doden met amygdaline heb je een bepaalde concentratie nodig. Maar als iemand amygdaline via de mond inneemt, komt er tien- tot twintigduizend keer minder in het bloed terecht dan die benodigde concentratie. Dat verschil is zo groot dat het de vraag of amygdaline als medicijn kan werken eigenlijk al beantwoordt. De drempel om genoeg werkzame stof in je bloed te krijgen om die cellen aan te pakken is daarvoor te hoog, dus dat gaat niet.

Maar die rekensom is gemaakt voor amygdaline. Als benzaldehyde de werkzame stof is, heb je waarschijnlijk veel minder nodig. En dat klopt: de concentratie die je dan nodig hebt ligt 25 tot 200 keer lager, op basis van de IC50-waarden uit de Saito-studie (de concentratie die nodig is om de helft van de kankercellen te doden). De drempel wordt een stuk lager. Of hij laag genoeg is, weet niemand, want die meting is voor zover ik kon vinden nooit gedaan.

Daar komt wel iets bij: amygdaline levert benzaldehyde en cyanide tegelijk. De vraag is niet alleen of er genoeg benzaldehyde vrijkomt, maar ook of het cyanide op die dosis nog beheersbaar is. Als dat niet zo is, dan is de orale route via amygdaline een doodlopende weg en blijft alleen directe toediening van benzaldehyde over, zonder het cyanideprobleem.

De vergelijking is niet precies, want de meetwaarden komen uit verschillende studies met verschillende typen kankercellen. Maar het verschil is groot genoeg om die ontbrekende meting te rechtvaardigen.

Niemand mat het benzaldehyde

Elke studie die onderzocht wat er in het bloed van mensen gebeurt na inname van amygdaline mat twee dingen: hoeveel amygdaline er in het bloed terechtkomt en hoeveel cyanide. Dat is logisch omdat cyanide gevaarlijk is en men daar begrijpelijk zicht op wilde hebben.

Maar niemand mat hoeveel benzaldehyde er in het bloed terechtkwam. Bij de afbraak van amygdaline komt benzaldehyde in precies dezelfde verhouding vrij als cyanide, maar het werd gewoon niet gemeten, ook niet in de grote Amerikaanse trial van Moertel of in de NCI-studies. Technisch was dit niet moeilijk geweest maar blijkbaar leek het niemand belangrijk genoeg.

Dit is geen oplossing maar wellicht wél een oplossingsrichting

Ik beweer niet dat benzaldehyde kanker geneest of dat amygdaline werkt, en ik zou zeker niemand aanraden om amandelpitten of abrikozenpitten te gaan eten, want het cyaniderisico van orale amygdaline is reëel en potentieel dodelijk. Ik heb geen wetenschappelijke ontdekking gedaan, en ben eerder een generalist die deze puzzel met geduld, boerenverstand en krachtig researchgereedschap te lijf ging.

Wat ik wel kan zeggen is dat ik drie verschillende groepen wetenschappelijke literatuur heb gevonden die niet naar elkaar verwezen en die in elkaar passen op een manier die voor zover ik kan vinden niet eerder is opgeschreven. Ik heb dat breed gecontroleerd via PubMed, Google Scholar, bioRxiv, medRxiv, ResearchGate, Reddit en andere platforms, maar het is mogelijk dat ik iets heb gemist.

De nieuwsgierige gek en de machine

Een gek kan meer vragen dan duizend wijzen kunnen beantwoorden, en ik heb er geen enkel probleem mee om af en toe die gek te zijn.

David Epstein beschrijft in Waarom generalisten verder komen hoe mensen met brede kennis verbanden leggen die specialisten missen, juist omdat specialisten elkaars tijdschriften niet lezen. De stukjes van deze puzzel lagen in drie vakgebieden en een debat: celbiologie, klinische oncologie, de wetenschap van hoe stoffen zich in je bloed gedragen, en de amygdaline-controverse. Er waren blijkbaar geen specialisten met genoeg reden om die vier te combineren. Ik had die reden ook niet, maar ik had wel een vrije zondag en geen reputatie om te verliezen.

Maar puzzelvragen stellen is niet genoeg als je de taal niet spreekt. Als je een paper leest over epigenetica en je begrijpt de helft niet kun je met AI die begrippen in Jip-en-Janneketaal laten uitleggen, waardoor je meer dan een rudimentair niveau van begripsvorming hebt. Niet genoeg om het onderzoek zelf te doen, maar genoeg om te zien hoe stukjes uit verschillende vakgebieden bij elkaar zouden kunnen passen. Daardoor kon ik een recente studie, klinische data uit 1980 en berekeningen over stofconcentraties in bloed tegelijk in beeld houden. Dat had ik zonder die hulp simpelweg niet gekund.

AI is verre van perfect, maar inmiddels heb ik flink wat ervaring in de juiste vragen stellen, de antwoorden cross-checken en kritisch bevragen. Deze manier van research is nog steeds veel werk, maar het vergt hele nieuwe vaardigheden die je dus kunt leren. Bij de meeste dingen die ik onderzoek hangt er niet zoveel van af. Hier wel, en daarom heb ik extra gecontroleerd. Ik licht tegels om te kijken wat eronder zit en ontdek zo van alles. Zo haalde ik na een eerste researchronde naar benzaldehyde er flink wat fouten uit. Er is best kans dat er nog meer in staat, maar dat vinden anderen die er eventueel in duiken vast wel.

Waar ik moeite mee heb is dat mensen die zelf nooit serieus met deze AI gereedschappen hebben gewerkt, op basis van een paar snelle voorbeelden van hallucinaties het hele instrument wegzetten als onbruikbaar en onbetrouwbaar. Dat is lui denkwerk.

Garri Kasparov voorspelde het jaren geleden al: mensen die mét AI samenwerken kunnen waanzinnige dingen bereiken. Hij vertelt over een freestyle schaaktoernooi in 2005 waar twee amateurschakers met drie gewone PC's zowel grootmeesters als supercomputers versloegen, omdat hun proces beter was. Hij concludeerde dat een zwakke menselijke speler plus een machine veel sterker is dan een krachtige machine alleen. Zo voelt het voor mij al maanden. Maar daar kom je niet achter als je erover leest. Dat ontdek je pas als je er zelf mee aan de slag gaat.

Om mijn synthese met de wereld te delen maakte ik een ORCID aan, een researcher-ID dat wetenschappers gebruiken om hun publicaties aan hun naam te koppelen. Daarna zette ik drie publicaties op Zenodo, het open-access platform van CERN waar onderzoekers preprints en datasets publiceren. Dat had ik zonder AI niet gevonden. Ik gebruikte het niet alleen om het verband te vinden, maar ook om de academische infrastructuur te navigeren die ik als buitenstaander niet kende. Elke publicatie heeft een eigen DOI, een permanent identificatienummer waarmee het citeerbaar en controleerbaar is:


Ze zijn niet peer-reviewed. Het zijn preprints, en iedereen kan ze lezen, bekritiseren of weerleggen. Graag zelfs, daar leer ik het meeste van.

Tot slot

Ik kan het mis hebben. De Saito-studie is niet gerepliceerd en de Kochi-data zijn betwist. De vergelijking die ik maak is gebaseerd op getallen uit verschillende studies, en de meting die noodzakelijk is voor een eventueel bewijs is nog nooit gedaan.

Wat is de benzaldehyde-plasmaconcentratie na toediening van amygdaline? Die meting is goed haalbaar met bestaande technieken ontdekte ik en is nooit uitgevoerd. Als de piekconcentratie in de buurt komt van de IC50-range uit de Saito-studie klopt mijn hypothese. Als dat niet zo is, valt amygdaline als voertuig af, maar toediening van benzaldehyde in een gestabiliseerde vorm, zoals Kochi deed in de jaren tachtig blijft dan nog steeds het onderzoeken waard.

En ook als ik gelijk heb is er nog een lange weg te gaan. Meer dan 95% van stoffen die in het lab kankercellen doden blijkt bij mensen niet te werken. Mogelijk geldt dat ook voor benzaldehyde. Maar het resultaat is een toetsbare hypothese, en dat maakt het het verkennen waard.

De onderzoekers die dit het best kunnen beoordelen zijn Jun Saito en Hideyuki Saya aan Fujita Health University in Japan. Ik heb ze inmiddels geschreven en mijn hypotheses met ze gedeeld. Ik ben reuze benieuwd of ik iets van ze ga horen.

Als ik het goed zie is er veertig jaar lang gekeken naar het verkeerde molecuul. En de reden dat niemand dat zag is niet domheid of onwil maar hoe wetenschap nu eenmaal is georganiseerd. Vakgebieden lezen elkaars tijdschriften doorgaans niet. Financieringssystemen hebben minder aandacht voor stoffen die moeilijk te commercialiseren zijn.

Het is een onafgemaakte puzzel. Maar ik heb er een dag aan besteed, er veel van geleerd en er drie publicaties en dit blog aan overgehouden. Dat is meer dan de meeste zondagen opleveren.


Verklarende woordenlijst

Amygdaline — een stof die van nature voorkomt in bittere amandelpitten, abrikozenpitten en andere steenvruchten. Breekt in het lichaam af tot glucose, waterstofcyanide en benzaldehyde. Wordt ook verkocht onder de naam laetrile.


Benzaldehyde
— het eenvoudigste aromatische aldehyde, verantwoordelijk voor de amandelsmaak in noten en fruit. Eén van de drie afbraakproducten van amygdaline.


14-3-3ζ
(veertien-drie-drie-zeta) — een eiwit dat in bijna alle menselijke cellen voorkomt en als schakelstation werkt voor signaalroutes die cellen laten groeien en overleven. In kankercellen vaak overmatig aanwezig.


H3S28ph
— een chemische markering op histon H3 (een eiwit waar DNA omheen gewikkeld zit). Als 14-3-3ζ zich hieraan bindt, worden genen geactiveerd die bijdragen aan therapieresistentie en uitzaaiing.


IC50
— de concentratie van een stof die nodig is om de helft van de cellen in een kweek te doden. Hoe lager de IC50, hoe krachtiger de stof.


Farmacokinetiek
— het vakgebied dat bestudeert wat je lichaam doet met een stof: hoe snel het wordt opgenomen, hoe het wordt verdeeld, afgebroken en uitgescheiden.


In vitro
— in een laboratoriumkweek, buiten het lichaam. Resultaten in vitro vertalen zich lang niet altijd naar resultaten bij mensen.


In vivo
— in een levend organisme, meestal een proefdier. Een stap dichter bij de menselijke situatie dan in vitro, maar nog steeds geen bewijs dat iets bij mensen werkt.


Preprint
— een wetenschappelijke publicatie die openbaar beschikbaar is maar nog niet door onafhankelijke vakgenoten is beoordeeld (peer review).


DOI
— Digital Object Identifier, een permanent webadres voor een wetenschappelijke publicatie. Verandert niet en maakt het mogelijk om naar een specifiek document te verwijzen.


ORCID
— een uniek identificatienummer voor onderzoekers, vergelijkbaar met een BSN maar dan voor de wetenschap. Koppelt publicaties aan een persoon.


Zenodo
— een open-access publicatieplatform beheerd door CERN. Onderzoekers kunnen er preprints, datasets en rapporten publiceren die een DOI krijgen.


Martijn Aslander is technologiefilosoof, Fellow van de KNVI, en oprichter van de PKM Summit. ORCID: 0009-0004-2344-0620.


About Martijn Aslander

Technologie-filosoof | Auteur | Spreker | Verbinder | Oprichter van vele initiatieven

Momenteel vrolijk druk met Digitale Fitheid 

De leukste dingen die ik momenteel aan het doen ben: https://linktr.ee/martijnaslander en https://linktr.ee/digitalefitheid