"Hoe doe je al die dingen?" Het is de vraag die ik het vaakst hoor bij koffieafspraken, na lezingen, in de wandelgangen van congressen. Mensen zien dat ik spreek, schrijf, community's bouw, projecten draai, boeken publiceer, apps ontwikkel. Ze zien een deel van de doorgaans zo'n tachtig projecten en projectjes waar ik aan werk, want veel van die zaken sudderen en heb ik nog niet openbaar gedeeld. En dan willen ze weten hoe.
Maar die werkwijze, die ik al jaren hanteer, is een goed geoliede machine die slim gebruik maakt van twee elementen die ik als de munteenheden van de netwerk- en informatiesamenleving zie: informatiekapitaal en sociaal kapitaal.
Veel mensen verwachten een productiviteitshack, apps, of een systeem. Maar het is vooral een levenshouding en een werkwijze met een geduldige, systematische aanpak. Het gaat over een fundamentele verschuiving in hoe ik denk dat waarde werkt in onze samenleving.
De twee vergeten currencies van onze tijd
De economie is de afgelopen decennia fundamenteel verschoven. Rond 1970 werd de dienstensector groter dan de industrie, en inmiddels wordt bijna 80 procent van de economische waarde in diensten gecreëerd. ICT heeft die verschuiving versneld en tegelijkertijd is er een informatie- en netwerksamenleving overheen gegroeid. En die kent eigenlijk nog twee currencies: informatiekapitaal en sociaal kapitaal. Ik gebruik bewust het Engelse woord currency, omdat dat wat beter past dan het harde Nederlandse munteenheid dat we meer associëren met meetbare zaken.
Informatiekapitaal is als het ware de currency van de informatiesamenleving. Het is de optelsom van wat je weet, wat je kunt vinden, welke verbanden je kunt leggen, welke bronnen je tot je beschikking hebt. Het is kennis, maar dan breder: het omvat ook het vermogen om kennis te verwerven, te verwerken en toe te passen.
Daarnaast zou je sociaal kapitaal kunnen zien als de currency van de netwerksamenleving. Je zou het kunnen omschrijven als de optelsom van je netwerk, je reputatie, en de kans dat iemand bereid is je het voordeel van de twijfel te gunnen. Het is de kans dat iemand de telefoon opneemt als je belt. Het is gunnen en vertrouwen, opgebouwd over jaren van interactie.
Deze twee vormen van kapitaal draaien als een dubbele helix om elkaar heen. Informatiekapitaal delen leidt tot meer sociaal kapitaal, en sociaal kapitaal geeft toegang tot nieuwe informatie. Ze versterken elkaar in een opwaartse spiraal. In dit essay focus ik op sociaal kapitaal, maar de dynamiek is nooit los te zien van de informatie die erdoorheen stroomt.
De paradox van delen
Als je geld weggeeft, ben je het kwijt. Die simpele waarheid vormt de basis van de hele monetaire economie. Geld is schaars, kunstmatig schaars zelfs, en die schaarste bepaalt de dynamiek van ruil en handel.
Maar met informatiekapitaal en sociaal kapitaal werkt het precies andersom. Als je kennis deelt, raak je die kennis niet kwijt. Door het delen groeit vaak je eigen begrip, en belangrijker nog: je bouwt sociaal kapitaal op. Je wordt iemand aan wie anderen denken als ze een probleem hebben of een connectie zoeken.
Dit inzicht veranderde mijn leven toen ik het in 2005 las in "Love Is the Killer App" van Tim Sanders. Sanders, die een leidinggevende positie had bij het vroege internetbedrijf Yahoo!, beschreef een simpele strategie: verzamel kennis, bouw een netwerk, en deel beide proactief en zonder direct iets terug te verwachten. Hij noemde mensen die dit doen "lovecats": mensen die met hun enthousiasme en generositeit dingen in beweging brengen.
Sanders vatte het zelf als volgt samen:
"Love is the act of intelligently and sensibly sharing your knowledge, networks, and compassion with your business partners. The secret to being a high-impact leader and the essence of individual and corporate success: Learn as much as you can as quickly as you can and share your knowledge aggressively; expand your network of people who share your values and connect as many of them with each other as possible; and, perhaps most important, be as openly human as you can be and find the courage to express genuine emotion in the harried, pressure-filled world of work. And one last point: Behave this way not because you expect something in return -- a quid pro quo -- but because it's the right way to behave. The less you expect in return for acts of professional generosity, the more you will receive."
Lovecats krijgen vaak het voordeel van de twijfel. Niet omdat ze het claimen of eisen, maar omdat ze het hebben verdiend door jarenlang anderen te helpen met kennis, ideeën en contacten. Het is een reputatie die je niet kunt kopen of afdwingen, alleen verdienen.
Die quote heb ik diep geïnternaliseerd en ben ik gaan toepassen, en het heeft me veel gebracht. Het boek gaf me een taal om te beschrijven wat ik deed, en een theoretisch kader om het bewuster toe te passen.
In mijn ervaring is alleen mensen verbinden niet genoeg. Het steekt nauwer. Sanders benoemt drie elementen: knowledge, networks én compassion. Wie naar een netwerkborrel gaat met de intentie om er handel uit te halen, komt van een koude kermis thuis. De combinatie is wat werkt, en specifiek de compassie-component is wat de meesten niet volhouden.
De sociologie van netwerken
Sanders' boek plantte een mooi zaadje. In de jaren erna ben ik me flink gaan verdiepen in sociologische mechanismes en bestudeerde ik een flink aantal experts, en raakte met een paar goed bevriend, zoals professor Mauk Mulder, de bedenker van de machtstafstandsreductietheorie.
Mark Granovetter publiceerde in 1973 een artikel dat een flinke impact had op de sociologie: "The Strength of Weak Ties". Zijn centrale inzicht was contra-intuïtief: juist de mensen die je niet zo goed kent, je zwakke banden, zijn vaak het meest waardevol voor het vinden van nieuwe informatie en kansen. Je sterke banden, je goede vrienden en directe collega's, weten grotendeels wat jij weet. Ze bewegen in dezelfde kringen, lezen dezelfde dingen, kennen dezelfde mensen. Maar je zwakke banden vormen bruggen naar andere werelden.
Dit verklaart waarom mijn netwerk van meer dan vijfduizend contacten zo waardevol is, ook al spreek ik de meesten maar zelden. In mijn adresboek, dat ik bijhoud sinds mijn vijftiende toen ik mijn eerste Succes-agenda kocht, staan er inmiddels meer dan twintigduizend. Het zijn duizenden bruggen naar werelden waar ik zelf niet dagelijks kom.
Ronald Burt bouwde hierop voort met zijn theorie over "structural holes". Burt stelde dat waarde in netwerken niet zozeer zit in het hebben van veel connecties, maar in het overbruggen van gaten tussen groepen die anders niet met elkaar verbonden zouden zijn. Als jij de enige bent die twee werelden met elkaar verbindt, stroomt alle informatie tussen die werelden via jou. Dat maakt je niet alleen waardevol, het geeft je ook toegang tot unieke combinaties van ideeën en mogelijkheden.
Dit is wat ik in de praktijk doe. Door mijn werk als spreker kom ik op de gekste plekken en zit ik aan tafels waar je doorgaans niet snel komt. Maar in een andere rol, die van pionier in maatschappelijke projecten, ontmoet ik weer hele andere mensen. Mijn werk brengt me voortdurend in werelden die normaal gesproken niet met elkaar in contact komen, van overheidsorganisaties tot technologie-startups, van academici tot praktijkmensen. Elke verbinding die ik leg creëert waarde, niet alleen voor de mensen die ik verbind, maar ook voor mezelf, omdat ik toegang krijg tot de informatie die door die verbinding stroomt.
Robin Dunbar, een evolutionair psycholoog, wierp hier een interessante complicatie in. Hij stelde dat mensen slechts zo'n 150 betekenisvolle relaties kunnen onderhouden. Dit "Dunbar-getal" zou een biologische beperking zijn en verband houden met de grootte van onze prefrontale cortex, het deel van ons brein dat sociale interacties interpreteert.
Ik denk dat je zijn werk moet plaatsen in de context van zijn tijd. Het gaat vermoedelijk uit van aannames die niet meer gelden in de netwerk- en informatiesamenleving. Zijn onderzoek ging over gemeenschappen waarin alle relaties face-to-face onderhouden moesten worden, waarin je elke relatie individueel warm moest houden. Maar die wereld is al lang voorbij.
Ik ontdekte dat je een netwerk niet hoeft te onderhouden op de manier waarop de meeste mensen denken. Zo mijd ik netwerkborrels, nergens voor nodig. Het kost geen extra tijd. Waar je ook bent, je kunt altijd van waarde zijn met je kennis, je contacten, je ideeën. Allemaal zaken die je moeiteloos kunt weggeven zonder dat je er minder van hebt. Je moet alleen zorgen dat elke interactie zo waardevol mogelijk is. Als ik iemand aan een goed contact help en we hebben daarna een half jaar geen contact, dan is de kans dat diegene de telefoon opneemt bij mijn volgende belletje aanzienlijk groter. Een geslaagde uitwisseling blijft lang hangen, zo ondervind ik steeds opnieuw.
Ik ontdekte nog een element dat ik niet terugvond in Dunbar's theorieën. Als ik twee mensen met elkaar verbind en er is een goede klik, dan onderhouden zij onderling contact. Dat betekent dat ik indirect veel meer relaties kan onderhouden dan wanneer ik elke relatie zelf warm zou moeten houden. Het netwerk onderhoudt zichzelf, zolang de verbindingen maar waardevol genoeg zijn. Dunbar telde directe relaties. Maar in een netwerksamenleving tellen indirecte relaties ook mee.
De informatietechnologie vergroot niet alleen de capaciteit, maar verandert ook de aard van onderhoud. Ik blog en verstuur nieuwsbrieven. Ik hou mensen op de hoogte via LinkedIn en ik ontmoet ze bij community-bijeenkomsten die ik organiseer. Via WhatsApp en telefoontjes kan ik met weinig moeite veel mensen bereiken en informeren.
Overigens is de netwerk- en informatiesamenleving goed nieuws voor introverte mensen. Onderzoek van Harbaugh toonde aan dat introverten effectiever zijn in online sociale interacties en het makkelijker vinden om zichzelf online te uiten. De drempel om via het web contact te maken en waarde te delen is veel lager dan in live situaties. Daarvoor hoef je dus helemaal niet naar een netwerkborrel.
Dit werkt alleen op schaal. Ik noem dit asynchrone wederkerigheid: je geeft nu, je krijgt later, en niet per se van dezelfde persoon. Als je honderd mensen helpt en twintig daarvan zijn wederkerig, heb je twintig actieve relaties. De tachtig die niets terugdoen zijn geen verlies, want je investering per persoon was minimaal. Je houdt geen boekhouding bij per individu, je vertrouwt erop dat het netwerk als geheel wederkerig is.
Dit is iets anders dan onbaatzuchtigheid, en het is ook iets anders dan transactioneel denken. Onbaatzuchtig zou betekenen dat je niets terugverwacht. Transactioneel zou betekenen dat je bijhoudt wie je wat verschuldigd is. Asynchrone wederkerigheid zit daar tussenin: je weet dat het werkt, maar je weet niet precies via wie of wanneer. Het is tuinieren in plaats van handelen: je zorgt voor de grond en vertrouwt erop dat er genoeg groeit.
De wetenschap van vertrouwen
Zaken doen gaat om gunnen en vertrouwen. Het smeermiddel van netwerken. Maar hoe werkt vertrouwen precies?
David Maister, Charles Green en Robert Galford publiceerden in 2000 "The Trusted Advisor" waarin ze de Trust Equation introduceerden: een formule die beschrijft waaruit vertrouwenswaardigheid bestaat. In mijn eerste honderd optredens in mijn sprekerscarrière sprak ik er vaak over.
Trustworthiness = (Credibility + Reliability + Intimacy) / Self-Orientation
Drie elementen die vertrouwen opbouwen: geloofwaardigheid (weet je waarover je praat?), betrouwbaarheid (doe je wat je zegt?) en intimiteit (voelt de ander zich veilig bij je?). Deze drie elementen kunnen nog zo goed zijn, onder de streep staat één grote factor die dit alles teniet kan doen: zelfgerichtheid. Hoe meer je op jezelf gericht bent, des te lager het vertrouwen.
Wat opvalt in het onderzoek van Maister is dat de meeste mensen focussen op rationele factoren als geloofwaardigheid en betrouwbaarheid, terwijl de emotionele factoren, intimiteit en lage zelfgerichtheid, veel meer impact blijken te hebben op vertrouwen. Dit sluit perfect aan op de bevindingen van Tim Sanders in zijn boek Love Is the Killer App: "Be as openly human as you can be and find the courage to express genuine emotion in the harried, pressure-filled world of work."
Dit verklaart waarom de lovecat-benadering werkt. Wie vrijgevig is zonder iets terug te verwachten, straalt weinig zelfgerichtheid uit. Lage zelfgerichtheid maximaliseert vertrouwen. Sanders zei het al: "Behave this way not because you expect something in return, but because it's the right way to behave."
Karen Stephenson, een antropoloog en netwerkwetenschapper die onder andere doceerde aan Harvard en de Universiteit van Londen, bouwde hierop voort met wat zij de "Kwantumtheorie van vertrouwen" noemt. Stephenson onderzocht hoe vertrouwen door netwerken stroomt en ontdekte iets fundamenteels: vertrouwen is de voorziening waardoor impliciete kennis ter beschikking komt.
Haar inzicht sluit aan bij mijn ervaring met asynchrone wederkerigheid. Stephenson beschrijft hoe je een gesprek met iemand die je vertrouwt na maanden weer oppakt waar je gebleven was. De details komen terug, nieuwe terreinen worden verkend. Vertrouwen fungeert als een soort geheugen dat buiten jezelf ligt.
Stephenson identificeerde drie sleutelrollen in netwerken: hubs (verzamelpunten van informatie), pulse-takers (mensen die aanvoelen hoe het met de organisatie gaat) en gatekeepers (mensen die informatiestromen controleren). Interessant is dat zij organisaties beschrijft als een dubbele helix waarin formele structuren en informele netwerken elkaar continu beïnvloeden. Dezelfde metafoor die ik gebruik voor informatiekapitaal en sociaal kapitaal.
Wanneer ik over deze onderwerpen spreek, merk ik vaak een reactie van ongemak. Mensen associëren netwerken met macht, en macht met misbruik. Ze denken aan vriendjespolitiek, achterkamertjes, old boys networks.
Mauk Mulder biedt hier een nuttig perspectief. Hij was hoogleraar organisatiepsychologie in Rotterdam en een van de belangrijkste Nederlandse pioniers op het gebied van machtsrelaties in organisaties. Hij stond mede aan de basis van de opkomst van ondernemingsraden in Nederland en ontwikkelde de machtsafstandreductietheorie.
Mulder toonde aan dat macht inherent de neiging heeft zich te concentreren. Mensen met macht proberen die te vergroten en te behouden, terwijl mensen met minder macht proberen die afstand te verkleinen.
Het punt is niet dat machtsconcentratie op zichzelf slecht is. Het punt is wat je ermee doet. Sociaal kapitaal is ook een vorm van macht, namelijk het vermogen om dingen gedaan te krijgen en toegang te krijgen tot bronnen die anders buiten bereik zouden blijven. De vraag is of je die macht gebruikt om anderen te helpen of om hen uit te sluiten.
De lovecat-filosofie van Sanders is in wezen een ethiek van macht. Het komt erop neer dat je je positie gebruikt om anderen te helpen, dat je deelt wat je weet en verbindt wie verbonden moet worden. De paradox is dat dit op de lange termijn je eigen positie versterkt, maar dat is een bijproduct, geen doel.
De reputatie-economie
De oude macht erodeert. Moisés Naím schreef dit in "The End of Power": overal wordt het moeilijker om macht te verwerven, te behouden en uit te oefenen. Informatie verspreidt zich sneller dan ooit, mensen en kapitaal zijn mobieler, en nieuwe spelers dagen de gevestigde orde uit. De oude machtsstructuren wankelen, ook al lijken de headlines soms het tegendeel te suggereren. We lijken steevast te vergeten dat in de strijd om aandacht en adverteerdersgelden ophef en hysterie over Trump, Xi en Putin een businessmodel zijn.
Tegelijkertijd groeit een ander type macht: reputatiemacht. Cory Doctorow verbeeldde dit in zijn roman "Down and Out in the Magic Kingdom" uit 2003, waarin geld is vervangen door "whuffie", een reputatiesysteem waarin sociaal kapitaal letterlijk zichtbaar is en als betaalmiddel fungeert. Je verdient whuffie door dingen te doen die anderen waarderen, je verliest het door je asociaal te gedragen.
Dat klinkt als sciencefiction, maar de reputatie-economie bestaat al. We zien het terug in de manier waarop reviews bepalen wie klanten krijgt, hoe LinkedIn-profielen invloed hebben op wie wordt benaderd voor opdrachten, en hoe aanbevelingen van vertrouwde connecties zwaarder wegen dan advertenties. Tara Hunt beschreef dit in "The Whuffie Factor": we opereren al in een reputatie-economie, alleen hebben we die nog niet zo genoemd.
Het cruciale verschil met dystopische varianten als het Chinese social credit systeem is dat deze reputatie van onderaf groeit in plaats van van bovenaf te worden opgelegd. Dat wil niet zeggen dat dit een utopie is, want platforms hebben veel macht en algoritmes bepalen wie zichtbaar is. Maar vooralsnog is er geen centrale autoriteit die jouw score bepaalt en je toegang tot de samenleving kan ontzeggen, en hopelijk kunnen we dat zo houden.
Wat er misging met de deeleconomie
Rond 2004 leefde ik naar een principe dat toen in de lucht hing: toegang is belangrijker dan bezit. De regionale Rabobank gaf me een directiekamer in ruil voor mijn ideeën en toegang tot mijn netwerk. Hierdoor kwamen mensen uit heel Nederland over de vloer van die bank, die allemaal weer andere ideeën, inzichten en netwerken meebrachten. Er zit samengestelde rente in deze aanpak: elke verbinding leidt tot nieuwe verbindingen. Dat was de deeleconomie zoals ik die bedoelde.
Tien jaar later betekende "de deeleconomie" iets heel anders. Uber, Airbnb, TaskRabbit: platforms die de retoriek van delen gebruikten maar opereerden als extractieve modellen, waarin een centraal platform de waarde afroomde die ontstond uit transacties tussen mensen. De kritiek daarop is terecht. Uber-chauffeurs delen niets, ze verhuren hun arbeid via een tussenpersoon die de voorwaarden dicteert.
Die kritiek diskwalificeert echter niet de onderliggende inzichten over netwerken en sociaal kapitaal. De dynamiek die Granovetter en Burt beschreven bestaat onafhankelijk van of er een platform tussen zit dat er geld aan verdient. De les is niet dat delen niet werkt, maar dat delen iets anders is dan het via een platform laten bemiddelen van transacties. Het verschil zit in de vraag wie de waarde bezit die door de verbindingen ontstaat.
Mijn netwerk is geen platform. Er zit geen bedrijf tussen dat een percentage vraagt. Ik heb geen product of dienst te koop. Dat betekent niet dat er geen financiële voordelen zijn, maar die werken anders: ik heb minder geld nodig omdat mensen bereid zijn iets voor me te doen, en ik word vaker wat gegund. Je zou kunnen betogen dat ik dit allemaal doe om meer geld te verdienen, maar dan had ik beter fulltime spreker en consultant kunnen worden. Deze route is wel heel omslachtig als geld het doel zou zijn.
De praktijk van verbinden
Neem de PKM Summit, de internationale conferentie over persoonlijk kennismanagement die ik met een klein bevlogen team organiseer. We huurden een zalencentrum voor twee dagen, bewust op vrijdag en zaterdag omdat het dan goedkoper was. Een financieel risico, maar door de entreeprijs laag te houden straalden we uit dat we niet met geld bezig waren. Sprekers uit de hele wereld waren bereid om voor alleen onkosten op te treden. In het eerste jaar hadden we geen sponsors, in het tweede jaar wat meer, en nu in het derde jaar voldoende voor een gezond event. Door te bouwen aan een warme community en kwaliteit, en door vooral sociaal kapitaal en informatiekapitaal in te zetten, werden we qua monetair kapitaal minder kwetsbaar.
Dit kon alleen omdat er twintig jaar investeren in informatie- en sociaal kapitaal aan voorafging. Bij geld op de bank krijg je rente door het met rust te laten. Bij sociaal kapitaal is het omgekeerd: het groeit alleen door het te delen. Elke geslaagde verbinding maakt de volgende makkelijker.
Dat betekent niet dat iemand zonder netwerk morgen een internationale conferentie kan organiseren. Het betekent dat als je jarenlang investeert, de drempel voor dit soort projecten steeds lager wordt. Je kunt meer risico nemen, meer innoveren, meer proberen, omdat je niet afhankelijk bent van budget alleen. De kansen van de netwerk- en informatiesamenleving gelden universeel, mits je geduld hebt en klein begint.
In de transactie-economie ruil je waarde voor waarde, en beide partijen proberen zo min mogelijk te geven voor zo veel mogelijk terug. In de netwerkeconomie geef je waarde weg die je moeiteloos kunt delen in de verwachting dat het systeem als geheel daarvan profiteert, inclusief jijzelf op manieren die je niet altijd kunt voorspellen.
De projecten die ik op deze manier begin, hebben een heel ander karakter dan projecten die starten met budget en contracten. In mijn ervaring is de betrokkenheid van mensen groter, omdat de intrinsieke motivatie hoger ligt, waardoor de bereidheid om door te zetten bij tegenslag ook sterker is. Overigens maak ik bij dit soort projecten zelden mee dat er draaiboeken, vergaderingen of begrotingen zijn. Wat mij betreft is dat een voordeel.
Waar je rekening mee moet houden
Net zoals je bij monetair kapitaal zuinig moet zijn op je pinpas en pincode en niet roekeloos moet investeren, zijn er ook bij sociaal kapitaal zaken waar je rekening mee moet houden.
Wel belangrijk: geef vanuit overvloed, niet vanuit tekort. En deel alleen zaken die je moeiteloos kunt missen. Niet iedereen geeft terug, en sommigen nemen meer dan je lief is. Dat hoeft je niet te ontmoedigen, maar grenzen stellen is nogal cruciaal, zo leerde ik met vallen en opstaan.
Tenslotte
De informatiesamenleving begon ergens in de jaren negentig. De netwerksamenleving kreeg in Nederland vaart met de opkomst van Hyves. We zitten er middenin, en toch zien veel organisaties de nieuwe currencies over het hoofd.
Ik gaf zowel in Zuid-Afrika als in Teheran uitleg over de werking van informatiekapitaal en sociaal kapitaal. Iedereen met internetverbinding of bibliotheektoegang kan informatiekapitaal verwerven en via het web delen met mensen die er wat aan hebben. Doe dat herhaaldelijk en je zult zien dat je meer gegund wordt en dat je er ook financieel beter van kunt worden. In stapjes.
Op mijn vijftiende begon ik niet vanuit privilege, maar vanuit noodzaak. Anderen om me heen hadden een groter netwerk en meer geld. Dit was mijn manier om iets op te bouwen. Iemand die in een internetcafé kennis opslurpt en ergens op het web een vraag beantwoordt die anderen niet konden beantwoorden, zal op enig moment een klusje gegund krijgen. Wat voor een Europeaan een paar euro is, maakt voor iemand op een ander continent een wereld van verschil.
Deze inzichten gelden universeel.
Wie de dynamiek van netwerken en informatie weet te doorgronden, te verzamelen en te delen, heeft een voorsprong die je niet met geld alleen kunt kopen. Je kunt er vandaag mee beginnen.
Organisaties die dit snappen, zoals Voys in Groningen, zijn zich extreem bewust van de waarde van het liquide maken van hun informatiekapitaal en het belang van het delen van kennis en contacten. Wie vanuit schaarste denkt ziet concurrentie, maar een concurrent die je helpt met kennis zou een samenwerkingspartner kunnen worden. Mensen worden er niet alleen blijer van, maar ook slimmer en slagvaardiger. Organisaties die realiseren dat ze al een tijdje een informatieorganisatie zijn, kunnen ontzettend veel geld, tijd en gedoe besparen.
Ik gun het elke organisatie.
De afgelopen twintig jaar bewoog mijn werk zich tussen twee dimensies. In de eerste tien jaar schreef en sprak ik vooral over de netwerksamenleving. In de tien jaar daarna verschoof mijn focus naar de informatiesamenleving. Voor mij gaan ze hand in hand, als een dubbele helix. Nu ik zelf systemen en apps kan bouwen, komen die twee dimensies samen in mijn praktijk.
Dit essay is het eerste in een reeks over de currencies van de netwerk- en informatiesamenleving, in aanloop naar mijn boek "❤️ Managen met liefde" dat in 2026 verschijnt. Ik maakte onlangs een tool die mijn netwerk mapt en analyseert, ver voorbij het concept van een adresboek of CRM. Een bank voor mijn sociale kapitaal, met een flinke rente. Binnenkort volgt er een stuk over.