Over menselijke netwerken, informatieontwerp en de verborgen structuur van een samenleving
In de paar jaar dat ik rechten studeerde in Groningen had je studievereniging Dorknoper, vernoemd naar de notarisachtige figuur uit de Bommelverhalen van Marten Toonder. Als student vond ik dat vooral een geestige naam. Dorknoper stond in mijn hoofd voor iets degelijks en licht stoffigs. Een man die eindeloos documenten controleerde terwijl het echte leven zich ergens anders afspeelde. Het soort figuur dat opdook zodra er een testament, eigendomsakte of huwelijk geregeld moest worden.
Dat beeld heeft waarschijnlijk ook mijn kijk op notarissen gevormd. Mensen die ergens op de achtergrond bestaan, in kamers vol papier, stempels en archiefkasten. Belangrijk, maar niet bepaald het domein waarvan je verwacht dat er plotseling een compleet nieuw informatievraagstuk voor je opengaat.
Pas veel later begon ik te begrijpen dat Marten Toonder met Dorknoper eigenlijk iets scherps had aangevoeld. Dit soort figuren zijn namelijk niet alleen met papierwerk bezig. Er zit een hele wereld achter van bezit, vertrouwen, schulden, familieverhoudingen, verborgen afspraken en maatschappelijke orde. Van alles wat een samenleving juridisch onder de oppervlakte bij elkaar houdt.
Achter de aktes, stempels en protocollen blijken enorme hoeveelheden menselijke werkelijkheid verborgen te zitten. Niet alleen wie wat bezat, maar ook wie elkaar kende, wie afhankelijk was van wie, welke conflicten speelden, welke families met elkaar verweven raakten en hoe macht, geld en vertrouwen zich door generaties heen bewogen.
Sinds ik bezig ben met informatieautonomie, waarover binnenkort mijn nieuwe boek verschijnt, en samen met grote uitvoeringsorganisaties onderzoek hoe we fundamenteel anders, beter en extreem veel goedkoper met informatie en IT kunnen omgaan, ben ik me steeds meer gaan verdiepen in archieven en de vraag hoe je die eigenlijk ontsluit. De techniek is daarbij interessant, maar de inhoudelijke laag nog veel meer. Want informatie digitaliseren is één ding. Maar hoe zorg je ervoor dat informatie ook werkelijk betekenisvol doorzoekbaar, verbindbaar en begrijpelijk wordt? Steeds vaker krijg ik het gevoel dat de echte doorbraak niet in AI zit, maar in elegant informatieontwerp
Eerder schreef ik al over hoe je historische claims beter kunt bewijzen, hoe epistemologie, de vraag hoe we weten wat we weten, opeens praktisch relevant wordt zodra je grote hoeveelheden bronnen met elkaar begint te verbinden, en hoe je bijvoorbeeld een concreet oorlogsarchief op een totaal andere manier kunt benaderen wanneer je niet langer documenten centraal zet, maar relaties tussen mensen, gebeurtenissen, plekken en transacties.
Terwijl ik daar middenin zat, kreeg het project onverwacht een nieuwe wending.
Na een afspraak bij het Noord-Hollands Archief kreeg ik toegang tot een enorm notarisarchief uit Haarlem en omstreken, dat inmiddels volledig digitaal beschikbaar in mijn systeem staat: ruim honderdduizend akten uit de periode vanaf het einde van de achttiende eeuw tot en met 1940, goed voor meer dan vierhonderdduizend pagina’s. Dat klinkt nog steeds vooral als een archief waar alleen archivarissen, juristen en genealogen echt warm voor lopen. Ik besefte ineens dat zulke archieven veel minder over papier gaan dan over menselijke netwerken, macht, vertrouwen, bezit en de structuur van een samenleving.
Want een notarisarchief blijkt, zodra je er anders naar kijkt, veel minder over documenten te gaan dan over menselijke levens. Over mensen die geld tekortkwamen. Over families die probeerden bezit bijeen te houden. Over weduwen die na het overlijden van hun man ineens eigenaar van een bedrijf werden. Over huizen die generaties lang binnen één familie bleven totdat een crisis alles uiteen trok. Over vertrouwen, schuld, ambitie, sociale stijging en soms complete families die langzaam uit beeld verdwijnen.
Want een notarisarchief blijkt, zodra je er anders naar kijkt, veel minder over documenten te gaan dan over menselijke levens. Over mensen die geld tekortkwamen. Over families die probeerden bezit bijeen te houden. Over weduwen die na het overlijden van hun man ineens eigenaar van een bedrijf werden. Over huizen die generaties lang binnen één familie bleven totdat een crisis alles uiteen trok. Over vertrouwen, schuld, ambitie, sociale stijging en soms complete families die langzaam uit beeld verdwijnen.
Maar precies dat zie je niet vanzelf wanneer zo’n archief alleen als stapel scans of PDF’s beschikbaar komt. De meeste mensen denken bij digitalisering van archieven nog steeds aan OCR, zoekfuncties en documenten die je online kunt openen. Alsof een archief “ontsloten” is zodra je een naam kunt intypen en een PDF terugkrijgt. Maar steeds sterker krijg ik het gevoel dat we daarmee informatie eigenlijk nog steeds behandelen alsof het dozen zijn. Digitale dozen weliswaar, maar nog steeds losse documenten zonder echte samenhang.
En daar zit precies het verschil tussen digitaliseren en informatiseren. Bij digitaliseren maak je in essentie een digitale versie van papier. Natuurlijk wordt daarbij vaak al iets van metadata toegevoegd, zoals een datum, dossiernummer of documenttype. Maar een computer begrijpt daarmee nog steeds nauwelijks waar iets werkelijk over gaat. Informatiseren gaat een stap verder. Daarbij worden alle mogelijke entiteiten in een tekst — personen, locaties, datums, organisaties, gebeurtenissen en onderlinge relaties — herkend, geduid en als zodanig opgeslagen.
Pas dan ontstaan verbanden, context en patronen. Dan verandert een archief langzaam van een verzameling losse documenten in een netwerk van betekenisvolle relaties. En juist daar begint de echte ontsluiting van archieven pas. Voor zover ik kan overzien, gebeurt dit nog nauwelijks op deze schaal. Er zijn projecten die iets doen met Linked Data, maar dit gaat veel verder.
Het is ook precies waar informatie-autonomie voor mij over gaat. Niet alleen over de controle over je data of software, maar over de vraag of mensen en organisaties nog werkelijk grip hebben op hun eigen kennis en geschiedenis. Kun je informatie alleen opslaan, of kun je er ook nieuwe inzichten uit laten ontstaan? Kun je verbanden zichtbaar maken? Kun je patronen herkennen die vroeger verborgen bleven omdat niemand honderdduizenden documenten tegelijk kon overzien?
Bij deze notarisarchieven die ik nu aan het informatiseren ben wordt dat opeens heel concreet.
De burgerlijke stand vertelt ons wanneer iemand geboren werd, trouwde en stierf, maar laat bijna alles daartussen grotendeels ongemoeid. Het notarisarchief vult juist die ruimte op. Steeds duidelijker wordt hoeveel van het echte leven zich daar afspeelde: wie geld nodig had, wie een huis kocht, wie onderlinge schulden liet vastleggen, welke families economisch met elkaar verweven raakten, wie tijdens een crisis bezit verloor en wie juist begon op te kopen toen anderen in de problemen kwamen.
Daardoor krijgen adressen, gebouwen en families iets wat ze in veel andere historische bronnen nauwelijks hebben: een biografie met een tijdlijn.
Neem een willekeurig pand in Haarlem, Alkmaar of Hoorn. Van de meeste weten we hooguit een bouwjaar, de naam van de architect, en de naam van de huidige eigenaar. Maar in notariële akten begint zo’n gebouw zich over generaties heen langzaam te ontvouwen. Je ziet wanneer het gekocht werd, wanneer er een hypotheek op kwam, wanneer het als onderpand diende voor een lening, wanneer het geveild werd, wanneer het in een erfenis opdook en wanneer een familie het noodgedwongen moest verkopen omdat schulden zich begonnen op te stapelen. Soms zie je in één dossier bijna een complete familielijn voorbijkomen: een grootvader die het pand koopt, een zoon die uitbreidt met een winkel of pakhuis, een kleinzoon die het bezit tijdens een economische crisis weer verliest.
Vanaf dat moment begon het archief zich voor mij bijna als een sociale kaart van Noord-Holland te gedragen.
Wat notarisarchieven zo uitzonderlijk maakt, is namelijk niet alleen de hoeveelheid informatie die erin zit, maar vooral het soort informatie. Historische bronnen zijn vaak institutioneel van aard. Overheden registreerden belastingen, kerken hielden geboorte- en overlijdensregisters bij, bevolkingsregisters noteerden verhuizingen. Allemaal waardevol, maar ook fragmentarisch. Notariële akten zitten veel dichter op het dagelijkse leven. Ze ontstaan op momenten waarop bezit, vertrouwen, conflict, dood, ambitie of onzekerheid een formele vorm moeten krijgen.
Een schuldbekentenis uit 1848 wordt dan opeens meer dan een juridisch document. Er verschijnt iemand die geld tekortkwam en via een notaris probeerde wat lucht te creëren. Een boedelinventaris verandert van een administratieve lijst in een bijna intieme blik op hoe mensen werkelijk leefden: hoeveel stoelen er in huis stonden, of er boeken aanwezig waren, hoeveel linnengoed een gezin bezat, of iemand arm was, comfortabel leefde of juist opvallend welgesteld was. Soms zitten de meest veelzeggende details juist in de kleinste dingen: een zilveren horloge, een kast vol stoffen, twee melkkoeien, een piano in een verder eenvoudig huishouden. Dingen die afzonderlijk triviaal lijken, maar samen langzaam een wereld zichtbaar maken.
En zodra je genoeg van die akten naast elkaar legt, beginnen patronen zichtbaar te worden die vroeger nauwelijks waarneembaar waren. Zoals sociale netwerken.
Vrijwel iedere akte bevat meerdere namen: kopers, verkopers, notarissen, getuigen, schuldeisers of erfgenamen. Aanvankelijk lijken dat losse namen, maar op grotere schaal beginnen hele sociale netwerken zichtbaar te worden.. Dezelfde getuigen duiken telkens opnieuw op. Families blijken economisch met elkaar verweven. Sommige personen verschijnen in dossiers van totaal verschillende beroepsgroepen tegelijk, wat erop wijst dat ze een centrale positie binnen een stad of gemeenschap innamen.
Historici vermoedden natuurlijk al veel langer dat zulke sociale structuren bestonden, alleen waren ze bijna nooit systematisch zichtbaar te maken, gewoon omdat niemand honderdduizenden akten handmatig met elkaar kon verbinden. “Ik doe dat tegenwoordig in minuten. Niet door AI op documenten los te laten, maar door informatie vanaf het begin relationeel, machine-leesbaar en betekenisvol op te slaan.
Daarmee verandert niet alleen de schaal van historisch onderzoek, maar ook de aard ervan. Want zodra zulke archieven zich relationeel laten lezen, kun je niet alleen individuele verhalen reconstrueren, maar ook patronen zichtbaar maken die vroeger verspreid lagen over honderdduizenden pagina’s.
Daardoor ontstaat de mogelijkheid om complete pandbiografieën samen te stellen. Niet alleen wie ergens woonde, maar ook hoe de functie en het eigendom van een gebouw door de tijd heen veranderden. Huizen veranderen langzaam van arbeiderswoning in winkelpand, of juist andersom. Families bouwen generaties lang bezit op totdat een crisis alles uiteen trekt. Waar het Kadaster meestal slechts een beperkt aantal stappen terug kan kijken, gaan notariële akten soms meer dan tweehonderd jaar diep.
En hetzelfde kan dus ook met families.
Genealogie gaat traditioneel vooral over namen, geboortes, huwelijken en overlijdens. Het notarisarchief vult juist de economische en sociale ruimte daartussen op. Je ziet niet alleen wie familie van elkaar was, maar ook wie geld aan elkaar leende, wie gezamenlijk investeerde, wie als getuige optrad bij elkaars akten, welke families langzaam vermogen opbouwden en welke generatie na generatie juist bezit verloren.
Daardoor ontstaat iets wat historici eigenlijk zelden op schaal konden zien: de economische dynamiek van gewone families. Tegelijk worden groepen zichtbaar die in veel andere historische bronnen grotendeels buiten beeld blijven, zoals vrouwen.
In veel negentiende-eeuwse administraties verdwijnen vrouwen achter hun echtgenoot. In notariële akten gebeurt opvallend vaak het tegenovergestelde. Daar verschijnen weduwen die bedrijven voortzetten, vrouwen die zelfstandig vastgoed bezitten, erfgenames die bezit beheren of huwelijksvoorwaarden laten opstellen omdat er duidelijk iets te beschermen viel. Ineens wordt zichtbaar hoeveel economische activiteit zich buiten het officiële beeld van die tijd afspeelde. Hetzelfde geldt voor crises.
We praten achteraf vaak over economische crises alsof die vooral zichtbaar wordt in statistieken, beurskoersen of nationale cijfers, maar in notariële akten zie je hoe dit soort gebeurtenissen daadwerkelijk door een samenleving bewegen. Veilingen nemen toe, schulden stapelen zich op en families raken bezit kwijt. Onderlinge leningen worden belangrijker. Hierdoor zie je niet alleen de economische gebeurtenis, maar ook de enorme sociale impact op straatniveau.
Dit grijpt ook in op roofgoed-onderzoek in relatie tot de Tweede Wereldoorlog. Juist daar beginnen notarisarchieven opeens een bijna ongemakkelijk krachtige bron te worden. Veel onderzoek naar geroofd Joods bezit vraagt nog altijd enorme hoeveelheden handmatig archiefonderzoek. Onderzoekers proberen eigendom te reconstrueren, door het volgen van transacties en proberen vast te stellen wat na de oorlog wel of niet werd teruggegeven. Zodra zulke akten relationeel doorzoekbaar worden, verandert ook dat speelveld fundamenteel.
Dan kun je vragen stellen die vroeger niet schaalbaar waren. Wie bezat een pand in 1938? Wanneer wisselde het van eigenaar? Was er tussen 1940 en 1945 sprake van een opvallende overdracht? Welke families verdwenen uit de registraties? Waar ontstond na de oorlog een gat tussen vooroorlogs bezit en naoorlogs rechtsherstel? Dat soort vragen veranderen langzaam van maanden archiefonderzoek in verbanden die veel sneller zichtbaar gemaakt kunnen worden
En misschien raakt dat wel aan het meest fundamentele inzicht dat ik de afgelopen tijd ben tegengekomen: we hebben de afgelopen decennia enorm veel gedigitaliseerd, maar opvallend weinig geïnformatiseerd. En de maatschappelijke gevolgen daarvan zie je dagelijks terug in dossiers als de toeslagenaffaire, de aardbevingsschade in Groningen en de enorme achterstanden en complexiteit rond WIA-beoordelingen bij het UWV.
We hebben scans gemaakt, PDF’s opgeslagen en archieven online gezet. Er zijn zoekmachines gebouwd. Maar heel veel systemen behandelen documenten nog steeds alsof het digitale dozen zijn waar informatie ín zit, in plaats van relationele netwerken waar betekenis tússen ontstaat. Maar een transcriptie is niet hetzelfde als inzicht, net zoals een scan nog geen kennis oplevert. Pas wanneer verbanden zichtbaar worden, begint langzaam zichtbaar te worden wat er werkelijk in een archief verborgen zit.
En misschien is dat uiteindelijk wel het meest bijzondere aan zulke archieven. Zodra documenten niet langer op zichzelf staan, maar relationeel leesbaar worden, begin je langzaam te zien hoe een samenleving daadwerkelijk in elkaar hing. Langzaam verschijnt dan niet alleen een verzameling akten, maar een web van relaties rond vertrouwen, eigendom, schuld, familie, ambitie en samenwerking dat zich over anderhalve eeuw uitstrekt. Niet als abstracte statistiek, maar als duizenden menselijke levens die elkaar voortdurend raken.
Eeuwenlang lagen die patronen verborgen in dozen, inventarisnummers en moeilijk leesbare handschriften. De hoeveelheid documenten, namen, relaties en gebeurtenissen was simpelweg te groot om als geheel te kunnen overzien.
Nu begint dat langzaam binnen bereik te komen. En ik vermoed dat we nog maar aan het begin staan van wat dat uiteindelijk zichtbaar kan maken.