Mijn artikel over de toevallige ontdekking van de betovergrootvader van mijn oma, een soldaat bij Waterloo onder generaal Wellington, veroorzaakte nogal wat. Ik bleek onbedoeld de regels van zowel archivarissen als genealogen te hebben gebroken. Maar die kende ik dus niet. Ik was, zoals gewoonlijk sinds een paar maanden aan het spelen met AI (niet met chatbots die hallucineren, maar met multi-agentische AI die redeneert vanuit harde bronnen en derhalve behoorlijk betrouwbaar zijn) en ontdekte van alles dankzij een mix van nieuwsgierigheid en enthousiasme.
Mijn drijfveer is altijd nieuwsgierigheid, gevolgd door verwondering en daarna enthousiasme. Als ik wat leuks vind deel ik dat graag met de wereld. Wellicht is het relevant, leerzaam of bruikbaar voor anderen. Die aanpak werkt voor mij overigens al meer dan vijfentwintig jaar heel goed. Het maakte dat ik sta waar ik nu ben.
Ik besluit dus nooit bewust om een nieuw vakgebied te betreden. Maar een detail dat wringt, een patroon dat ik ergens anders heb gezien of een vraag die niemand lijkt te stellen, maakt dat ik op onderzoek uit ga. Mijn brein respecteert nu eenmaal geen hekken tussen disciplines. Het ziet verbanden. En als het er een denkt te zien (en vaker wel dan niet is dat raak), dan is er geen keuze meer.
Ik ben als het ware een blind spot spotter.
Een week geleden was genealogie nog nieuw terrein. Sindsdien heb ik in de beschikbare academische literatuur uitgezocht wie de vader was van Sigibert de Lamme, koning van de Ripuarische Franken in Keulen. De meest recente wetenschappelijke publicatie over Sidonius Apollinaris noemt de Frankische prins Sigismer expliciet als "otherwise unknown" en verwijst naar twee bronnen uit 1933 en 1980. Niemand lijkt verder gezocht te hebben. En dat is logisch, want who cares 🤣 Tenzij je dat puzzelstukje nodig blijkt te hebben als eventuele bewijslast voor een andere puzzel, zoals ik die had. De genealogie die in populaire databases circuleert als antwoord is aantoonbaar zonder brononderbouwing samengesteld in de jaren 1920.
Een week geleden wist ik niet wat onomastiek was, of prosopografie. Ik had geen idee waar de randen van het vakgebied ophielden en ik ineens in een ander veld stond. Dat maakt me een naïeve buitenstaander met buitengewoon krachtig gereedschap. En dat blijkt flink wat onvermoede voordelen te hebben.
Eén woord dat alles zegt
De Vita Gundulfi is een heiligenleven over bisschop Gondulf van Tongeren-Maastricht. Het is het oudst bewaarde manuscript uit de twaalfde eeuw, wat sceptici gebruiken als argument: het is te laat en te ver van de gebeurtenissen, om er iets zinnigs mee te kunnen en dus onbetrouwbaar. Maar de tekst opent met één zin: "Gondulfus, filius deplorati Munderici." Gondulf, zoon van de betreurde Munderic.
Dat woord trok mijn aandacht. Niet het Latijn, maar dat ene woord: de betreurde.
Heiligenlevens hebben vaste formules voor het beschrijven van de ouders van een heilige. Beati, sancti, illustris, quondam, bonae memoriae. Na het vergelijken van die formules uit tientallen Merovingische heiligenlevens en na gericht zoeken in de beschikbare digitale databases, heb ik geen enkele andere tekst gevonden waarin "deploratus" als persoonlijk kenmerk bij een naam wordt gebruikt. Mogelijk bestaat die tekst ergens in een archief dat niet is gedigitaliseerd. Maar in wat doorzoekbaar is, staat hij er niet.
Het woord betekent: de betreurde, de bewailede. Actieve rouw over iemand die als verlies wordt ervaren. Een tegenstander zou kunnen lezen: de hopeloos verloren Munderic. Maar een hagiograaf die een moreel oordeel wil vellen heeft daarvoor standaardwoorden. "Deploratus" is geen oordeel. Het is rouwtaal. En rouwen om een mislukte rebel doe je alleen als je aan zijn kant staat. Nu weten we wie Munderic was: een Merovingische pretendent die in 532 een opstand begon, werd omsingeld, en werd gedood. Een vijandige auteur zou hem een verrader noemen of hem weglaten. Een neutrale latere vervalser zou iets veiligs kiezen, quondam Munderici, wijlen Munderic, en verder gaan. Alleen iemand uit zijn eigen clan zou dit woord gebruiken (aldus de logica van mijn virtuele redeneer-team).
Dat betekent dat de kern van deze tekst ouder is dan het twaalfde-eeuwse manuscript. Ergens zit een vroege bron. De Duitse historica Heike Grahn-Hoek betoogde dat in 2003. Wij vonden het in één woord.
(Kanttekening voor wie nu denkt dat ik vreselijk belezen en intellectueel ben: dat valt mee. Het meeste hiervan werd gevonden door AI, die me hielp verbanden te leggen en conclusies te trekken. Ik hoefde alleen mijn eigen logica toe te passen en alles te factchecken. Dat kan iedereen.)
Een hagiograaf leest de Vita Gundulfi voor de heilige. Ik vroeg: wat klopt er niet aan de taal?
Ik was wederom de gek die vragen stelde die duizend wijzen niet konden beantwoorden. Niet omdat die wijzen dat niet zouden kunnen maar omdat geen van hen waarschijnlijk ooit in dezelfde zoekopdracht stond.
Dat woord trok mijn aandacht. Niet het Latijn, maar dat ene woord: de betreurde.
Heiligenlevens hebben vaste formules voor het beschrijven van de ouders van een heilige. Beati, sancti, illustris, quondam, bonae memoriae. Na het vergelijken van die formules uit tientallen Merovingische heiligenlevens en na gericht zoeken in de beschikbare digitale databases, heb ik geen enkele andere tekst gevonden waarin "deploratus" als persoonlijk kenmerk bij een naam wordt gebruikt. Mogelijk bestaat die tekst ergens in een archief dat niet is gedigitaliseerd. Maar in wat doorzoekbaar is, staat hij er niet.
Het woord betekent: de betreurde, de bewailede. Actieve rouw over iemand die als verlies wordt ervaren. Een tegenstander zou kunnen lezen: de hopeloos verloren Munderic. Maar een hagiograaf die een moreel oordeel wil vellen heeft daarvoor standaardwoorden. "Deploratus" is geen oordeel. Het is rouwtaal. En rouwen om een mislukte rebel doe je alleen als je aan zijn kant staat. Nu weten we wie Munderic was: een Merovingische pretendent die in 532 een opstand begon, werd omsingeld, en werd gedood. Een vijandige auteur zou hem een verrader noemen of hem weglaten. Een neutrale latere vervalser zou iets veiligs kiezen, quondam Munderici, wijlen Munderic, en verder gaan. Alleen iemand uit zijn eigen clan zou dit woord gebruiken (aldus de logica van mijn virtuele redeneer-team).
Dat betekent dat de kern van deze tekst ouder is dan het twaalfde-eeuwse manuscript. Ergens zit een vroege bron. De Duitse historica Heike Grahn-Hoek betoogde dat in 2003. Wij vonden het in één woord.
(Kanttekening voor wie nu denkt dat ik vreselijk belezen en intellectueel ben: dat valt mee. Het meeste hiervan werd gevonden door AI, die me hielp verbanden te leggen en conclusies te trekken. Ik hoefde alleen mijn eigen logica toe te passen en alles te factchecken. Dat kan iedereen.)
Een hagiograaf leest de Vita Gundulfi voor de heilige. Ik vroeg: wat klopt er niet aan de taal?
Ik was wederom de gek die vragen stelde die duizend wijzen niet konden beantwoorden. Niet omdat die wijzen dat niet zouden kunnen maar omdat geen van hen waarschijnlijk ooit in dezelfde zoekopdracht stond.
Sherlock Holmes als methode
Genealogie heeft een imagoprobleem. De meeste mensen denken aan bejaarde ooms met ordners, of aan een website waar je een naam invult en een boom terugkrijgt. Maar de praktijk is ronduit anders. Genealogie is redeneren onder onzekerheid, met fragmenten en lacunes en bronnen die soms iets zeggen zonder het te zeggen. Je moet beslissen wat je gelooft op basis van wat er is, en eerlijk zijn over wat je niet weet.
Dat is typisch Sherlock Holmes-werk: puzzelen rondom de vraag wat dit woord precies betekent, waarom deze bron zwijgt en of de naam chronologisch past.
Ik ontdekte gaandeweg dat ik meerdere redeneerpatronen tegelijk aan het toepassen was, elk met een andere functie. Sherlock Holmes sluit systematisch uit wat niet klopt. William van Ockham zoekt de eenvoudigste verklaring die alle feiten dekt. Leonardo da Vinci kijkt dwars door disciplines heen omdat alles samenhangt. Arsène Lupin draait de boel om en vraagt wat je ziet als je het andersom bekijkt, zonder moraal, puur voor het inzicht. Simon Templar vraagt wie er door het systeem genaaid wordt en keert het systeem vervolgens tegen zichzelf. En Socrates bevraagt de uitkomsten in plaats van ze te accepteren, de tegenvraag als toets.
Al deze redeneerpatronen zijn universeel en werken in elk domein waar je met onvolledig bewijs te maken hebt. Dat is een goede reden om ze te delen.
Als je geen hard bewijs hebt, bouw je een hypothese. Je stapelt aanwijzingen tot het patroon sterker wordt dan de twijfel. Dat heet abductief redeneren: de beste verklaring die alle beschikbare feiten dekt, zonder te claimen dat het bewijs is. In genealogie noemen ze dat "preponderance of evidence", zo ontdekte ik afgelopen week. Niet de aanwezigheid van bewijs, maar de balans van aanwijzingen die één kant op wijst. En vaak bij zaken ver in de geschiedenis kun je niet anders. Dit is ook hoe rechercheteams werken, en de meeste gerechtelijke dwalingen blijken achteraf geen kwestie van slechte feiten maar van tunnelvisie: te vroeg een conclusie trekken en daarna alle informatie door die lens filteren.
En als rechercheteams die fout al maken, doen wetenschappers dat ook. Waardoor de hele bewijsketen van een kennispiramide kan omvallen als er één steen heel poreus blijkt te zijn.
Dat is typisch Sherlock Holmes-werk: puzzelen rondom de vraag wat dit woord precies betekent, waarom deze bron zwijgt en of de naam chronologisch past.
Ik ontdekte gaandeweg dat ik meerdere redeneerpatronen tegelijk aan het toepassen was, elk met een andere functie. Sherlock Holmes sluit systematisch uit wat niet klopt. William van Ockham zoekt de eenvoudigste verklaring die alle feiten dekt. Leonardo da Vinci kijkt dwars door disciplines heen omdat alles samenhangt. Arsène Lupin draait de boel om en vraagt wat je ziet als je het andersom bekijkt, zonder moraal, puur voor het inzicht. Simon Templar vraagt wie er door het systeem genaaid wordt en keert het systeem vervolgens tegen zichzelf. En Socrates bevraagt de uitkomsten in plaats van ze te accepteren, de tegenvraag als toets.
Al deze redeneerpatronen zijn universeel en werken in elk domein waar je met onvolledig bewijs te maken hebt. Dat is een goede reden om ze te delen.
Als je geen hard bewijs hebt, bouw je een hypothese. Je stapelt aanwijzingen tot het patroon sterker wordt dan de twijfel. Dat heet abductief redeneren: de beste verklaring die alle beschikbare feiten dekt, zonder te claimen dat het bewijs is. In genealogie noemen ze dat "preponderance of evidence", zo ontdekte ik afgelopen week. Niet de aanwezigheid van bewijs, maar de balans van aanwijzingen die één kant op wijst. En vaak bij zaken ver in de geschiedenis kun je niet anders. Dit is ook hoe rechercheteams werken, en de meeste gerechtelijke dwalingen blijken achteraf geen kwestie van slechte feiten maar van tunnelvisie: te vroeg een conclusie trekken en daarna alle informatie door die lens filteren.
En als rechercheteams die fout al maken, doen wetenschappers dat ook. Waardoor de hele bewijsketen van een kennispiramide kan omvallen als er één steen heel poreus blijkt te zijn.
Normale genealogie stopt ergens tussen 800 en 1500
Als je ver genoeg teruggaat in een stamboom, loop je vast. Voor gewone families ergens rond 1500, voor adellijke families soms rond 800 of 900, en daarna droogt het op. Omdat er geen geboorteregisters of kerkboeken zijn met doopaktes en andere bronnen. Mijn eigen spoor liep via Friese voorouders uiteindelijk richting het Frankische kerngebied (ruwweg het gebied dat nu België, het zuiden van Nederland en het westen van Duitsland omvat -- de streek rond de Rijn en de Maas, met steden als Keulen, Tongeren en Doornik), en de Frankische koningen schreven zelf nauwelijks. De weinige auteurs die wel schreven deden dat een eeuw later, over mensen die ze nooit hadden gekend. De periode 300 tot 600 is dus een soort genealogisch niemandsland. Maar boeiend terrein, dus ik ging op pad.
Een wereld die ik niet kende
Het eerste dat ik ontdekte had nog niets met Franken te maken. Ik ontdekte dat er een heel ecosysteem van disciplines bestaat rondom dit soort puzzels, en dat ik er nog nooit van had gehoord.
Naamkunde, ook wel onomastiek, bestudeert hoe namen zijn opgebouwd en wat ze verraden over familieverbanden. Heiligenlevens, hagiografie bevatten soms genealogische informatie die nergens anders staat. Het catalogiseren van alle bekende personen uit een periode heet prosopografie, en er bestaat een standaardwerk voor de hele late oudheid: een soort telefoonboek van iedereen die tussen 260 en 641 na Christus ook maar ergens werd genoemd. Meer dan een half miljoen Latijnse inscripties zijn digitaal doorzoekbaar, dat valt onder epigrafie. Archaeogenetica, DNA-analyse van oude menselijke resten, is een veld van nog geen twintig jaar oud dat al families heeft herbeschreven die historici eeuwenlang verkeerd hadden begrepen. En dan zijn er nog filologie, numismatiek, Byzantijnse historiografie, diplomatiek , toponymie, codicologie en Latijnse poëzie, stuk voor stuk disciplines met hun eigen databases, hun eigen vaktermen, hun eigen blinde vlekken.
Van geen van deze vakgebieden had ik gehoord. En dat is precies waarom ik ze kon gebruiken. De specialist in onomastiek kruist niet met Byzantijnse historiografie, niet omdat hij het niet kan, maar omdat zijn hele carrière hem heeft geleerd waar zijn vak ophoudt. Ik had die carrière niet, en dacht er überhaupt niet over na.
De bouwstenen voor mijn hypothese lagen al tientallen jaren klaar in de academische literatuur. Ze lagen alleen in verschillende vakgebieden, bij mensen die elkaars werk doorgaans niet lazen of kenden.
Al die vakgebieden hebben hun eigen literatuur. De individuele bronnen waren allemaal al bekend. Sidonius Apollinaris is al eeuwen vertaald en bestudeerd. Forstemann publiceerde zijn namenboek in 1900. Werner schreef zijn naamstam-theorie in 1965 en Settipani bracht de Merovingische genealogieën samen in de jaren negentig. Elke naam die we vonden staat al ergens in een boek. Wat niet eerder zo is gedaan, is dit alles in een middag tegelijk doorzoeken en kruisen met behulp van agentische AI, iets dat pas sinds een paar maanden kan.
Een historicus die Sidonius bestudeert is specialist in Sidonius. Die leest de tekst, schrijft er een artikel over, en verwijst misschien in een voetnoot naar een naam uit een prosopografisch naslagwerk. Een onomasticus die namen ontleedt werkt met namenlijsten, niet met de volledige Latijnse teksten. Ze lezen elkaars werk, maar ze doen het niet tegelijk, niet systematisch, en zeker niet over alle disciplines heen in dezelfde zoekopdracht. Ik kwam, terwijl ik tussendoor heel andere dingen deed voor de PKM Summit en de Maand van de Digitale Fitheid, in minder dan twee dagen tot die resultaten.
Naamkunde, ook wel onomastiek, bestudeert hoe namen zijn opgebouwd en wat ze verraden over familieverbanden. Heiligenlevens, hagiografie bevatten soms genealogische informatie die nergens anders staat. Het catalogiseren van alle bekende personen uit een periode heet prosopografie, en er bestaat een standaardwerk voor de hele late oudheid: een soort telefoonboek van iedereen die tussen 260 en 641 na Christus ook maar ergens werd genoemd. Meer dan een half miljoen Latijnse inscripties zijn digitaal doorzoekbaar, dat valt onder epigrafie. Archaeogenetica, DNA-analyse van oude menselijke resten, is een veld van nog geen twintig jaar oud dat al families heeft herbeschreven die historici eeuwenlang verkeerd hadden begrepen. En dan zijn er nog filologie, numismatiek, Byzantijnse historiografie, diplomatiek , toponymie, codicologie en Latijnse poëzie, stuk voor stuk disciplines met hun eigen databases, hun eigen vaktermen, hun eigen blinde vlekken.
Van geen van deze vakgebieden had ik gehoord. En dat is precies waarom ik ze kon gebruiken. De specialist in onomastiek kruist niet met Byzantijnse historiografie, niet omdat hij het niet kan, maar omdat zijn hele carrière hem heeft geleerd waar zijn vak ophoudt. Ik had die carrière niet, en dacht er überhaupt niet over na.
De bouwstenen voor mijn hypothese lagen al tientallen jaren klaar in de academische literatuur. Ze lagen alleen in verschillende vakgebieden, bij mensen die elkaars werk doorgaans niet lazen of kenden.
Al die vakgebieden hebben hun eigen literatuur. De individuele bronnen waren allemaal al bekend. Sidonius Apollinaris is al eeuwen vertaald en bestudeerd. Forstemann publiceerde zijn namenboek in 1900. Werner schreef zijn naamstam-theorie in 1965 en Settipani bracht de Merovingische genealogieën samen in de jaren negentig. Elke naam die we vonden staat al ergens in een boek. Wat niet eerder zo is gedaan, is dit alles in een middag tegelijk doorzoeken en kruisen met behulp van agentische AI, iets dat pas sinds een paar maanden kan.
Een historicus die Sidonius bestudeert is specialist in Sidonius. Die leest de tekst, schrijft er een artikel over, en verwijst misschien in een voetnoot naar een naam uit een prosopografisch naslagwerk. Een onomasticus die namen ontleedt werkt met namenlijsten, niet met de volledige Latijnse teksten. Ze lezen elkaars werk, maar ze doen het niet tegelijk, niet systematisch, en zeker niet over alle disciplines heen in dezelfde zoekopdracht. Ik kwam, terwijl ik tussendoor heel andere dingen deed voor de PKM Summit en de Maand van de Digitale Fitheid, in minder dan twee dagen tot die resultaten.
Twaalf nuttige disciplines voor de gedreven puzzelaar
Onomastiek - naamkunde. Frankische namen bestaan uit twee stamelementen. Kinderen erven elementen van beide ouders. Sigi-mer naar Sigi-bert is geen toeval, het is een systeem.
Hagiografie - heiligenlevens. Geschreven om te stichten, niet om te documenteren. Maar ze bevatten soms genealogische details die nergens anders staan.
Prosopografie - het systematisch catalogiseren van alle bekende personen uit een periode. Het standaardwerk voor de late oudheid heet PLRE: Prosopography of the Later Roman Empire.
Epigrafie] - studie van inscripties op steen en metaal. Meer dan 500.000 Latijnse inscripties zijn digitaal doorzoekbaar via de EDCS-database.
Archaeogenetica - DNA-analyse van oude menselijke resten. Kan verwantschappen bewijzen die geen enkele tekst noemt. Het veld bestaat nog geen twintig jaar.
Filologie - taalkunde en tekstanalyse. Niet wat een tekst zegt, maar hoe hij het zegt, en wat dat onthult over wie hem schreef.
Numismatiek - studie van munten. Frankische koningen sloegen munten met hun naam erop. Een munt is een dateerbaar bewijs van macht.
Byzantijnse historiografie - geschiedschrijving vanuit Constantinopel. Byzantijnse auteurs beschreven de Franken van buitenaf, wat soms details oplevert die Frankische bronnen weglaten.
Diplomatiek - studie van oorkonden en officiële documenten. Niet diplomatie, maar de juridische en administratieve neerslag van macht.
Toponymie - studie van plaatsnamen. Een "Munderichhof" ergens op een kaart zou een bezitsaanwijzing zijn.
Codicologie - studie van handschriften als fysieke objecten. Welke teksten delen een boek, wanneer en waar geschreven, door wie gekopieerd.
Latijnse poëzie - in dit geval de gedichten van Venantius Fortunatus, die het Austrasische hof van de zesde eeuw beschreef. Niet als literatuur, maar als sociogram van een elitenetwerk.
Bijvangst met verrassende resultaten
Terwijl ik op zoek was naar hoe ver ik kon komen in de tijd met mijn eigen bloedlijn, deed ik wat wonderlijke bijvangsten in een ander spoor. De bijvangst leverde verrassende resultaten op.
De kernvraag was simpel: wie was de vader van Sigibert de Lamme, een Frankische koning uit de 5e eeuw? Een aanwijzing bleek al die tijd te liggen in een Latijnse brief uit 469. Voor zover traceerbaar en vindbaar had niemand hem als zodanig gelezen. En de mogelijke vader, Sigismer, zou weleens een bekendere naam kunnen dragen dan we denken.
Indirect bewijs, geen definitief bewijs, maar de aanwijzingen wijzen één kant op. Voor de vijfde-eeuwse Frankische geschiedenis is dat doorgaans het beste bewijs voor de aannemelijkheid van een hypothese. Behoorlijk dicht bij wat men een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid noemt.
En er is nog een laag. De combinatie van deze hypothese met de Nibelungensage, de Ring van Wagner en een 200 jaar oud academisch debat over wie Siegfried werkelijk was, raakt aan iets veel groters. Ik deed mogelijk een vondst van betekenis. Daarover schrijf ik binnenkort een apart artikel.
De kernvraag was simpel: wie was de vader van Sigibert de Lamme, een Frankische koning uit de 5e eeuw? Een aanwijzing bleek al die tijd te liggen in een Latijnse brief uit 469. Voor zover traceerbaar en vindbaar had niemand hem als zodanig gelezen. En de mogelijke vader, Sigismer, zou weleens een bekendere naam kunnen dragen dan we denken.
Indirect bewijs, geen definitief bewijs, maar de aanwijzingen wijzen één kant op. Voor de vijfde-eeuwse Frankische geschiedenis is dat doorgaans het beste bewijs voor de aannemelijkheid van een hypothese. Behoorlijk dicht bij wat men een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid noemt.
En er is nog een laag. De combinatie van deze hypothese met de Nibelungensage, de Ring van Wagner en een 200 jaar oud academisch debat over wie Siegfried werkelijk was, raakt aan iets veel groters. Ik deed mogelijk een vondst van betekenis. Daarover schrijf ik binnenkort een apart artikel.
Hypothesekaarten zijn géén conclusies
Ik claim geen nieuwe feiten. Alle bronnen waren al bekend. Wat ik deed was ze systematisch kruisen over disciplinegrenzen heen, sneller dan een mens kan, en het resultaat is een hypothesekaart. De kaart laat patronen zien die het waard zijn om door vakspecialisten getoetst te worden.
Een expert zal drie dingen willen weten. Hier zijn de eerlijke antwoorden.
Is dit niet gewoon bekende methoden toepassen op bekende bronnen?
Ja, dat klopt helemaal. De methode is niet nieuw en de bronnen zijn ook niet nieuw. Maar wat wél nieuw is, is de systematische kruising van precies deze bronnen over precies deze disciplines in één sessie van hooguit een half uur. Die specifieke combinatie heb ik in de gepubliceerde literatuur niet gevonden. Als iemand kan aantonen dat het er wel is, leer ik daar graag van.
Bewijzen naamstammen dan verwantschap?
Nee, en dat is het sterkste tegenargument. Een gedeelde naamstam bewijst geen bloedverwantschap. Wat ik beweer is niet dat Sigismer de bewezen vader van Sigibert was. Wat ik beweer is dat het Sigi-element in beide namen consistent is met een familieband, dat de chronologie klopt, dat de geografie klopt, en dat er geen andere kandidaten bekend lijken te zijn. Elk stuk apart is zwak, maar samen worden ze heel interessant.
De volledige hypothesekaart, inclusief een verrassende verbinding met de Nibelungensage en de Ring van Wagner, en wat lijkt op een nieuwe aannemelijke hypothese in een 200 jaar oud academisch debat, komt in een volgend artikel.
Een expert zal drie dingen willen weten. Hier zijn de eerlijke antwoorden.
Is dit niet gewoon bekende methoden toepassen op bekende bronnen?
Ja, dat klopt helemaal. De methode is niet nieuw en de bronnen zijn ook niet nieuw. Maar wat wél nieuw is, is de systematische kruising van precies deze bronnen over precies deze disciplines in één sessie van hooguit een half uur. Die specifieke combinatie heb ik in de gepubliceerde literatuur niet gevonden. Als iemand kan aantonen dat het er wel is, leer ik daar graag van.
Bewijzen naamstammen dan verwantschap?
Nee, en dat is het sterkste tegenargument. Een gedeelde naamstam bewijst geen bloedverwantschap. Wat ik beweer is niet dat Sigismer de bewezen vader van Sigibert was. Wat ik beweer is dat het Sigi-element in beide namen consistent is met een familieband, dat de chronologie klopt, dat de geografie klopt, en dat er geen andere kandidaten bekend lijken te zijn. Elk stuk apart is zwak, maar samen worden ze heel interessant.
De volledige hypothesekaart, inclusief een verrassende verbinding met de Nibelungensage en de Ring van Wagner, en wat lijkt op een nieuwe aannemelijke hypothese in een 200 jaar oud academisch debat, komt in een volgend artikel.
Wat voegt AI hier toe dat een goede onderzoeker niet kan?
Tijd! Een goede onderzoeker kan dit allemaal. Het verschil is dat een mens er maanden over doet en een AI een middag. Ik claim niet dat ik iets vond wat onvindbaar was. Ik kan ineens bronnen uit meerdere disciplines tegelijk doorzoeken en kruisen op een manier die voor een individuele onderzoeker praktisch onhaalbaar is, niet intellectueel, maar logistiek. Agentische AI, voor iedereen beschikbaar, is iets wezenlijk anders dan hallucinerende chatbots. Instituten als de KB lijken zich dat niet voldoende te realiseren.
De schijnbaar houdbare hypothese blijkt steeds minder houdbaar
Wetenschap heeft minder met waarheid te maken dan de meeste mensen denken. Het heeft te maken met de best houdbare hypothese van dit moment. Je bouwt een redenering, je probeert haar omver te gooien, en als dat niet lukt neem je haar voorlopig aan. Tot er nieuwe informatie komt.
Dat is de spelregel. Maar wat er in de praktijk mee gebeurt is iets anders. Een hypothese die lang standhoudt trekt publicaties aan. Publicaties trekken citaties. Citaties trekken status en posities en geld. En ergens in dat proces is de hypothese geen hypothese meer maar een fundament. En dan is nieuwe informatie geen kans meer, maar een bedreiging van de status quo.
Wat er nu verandert is dat falsificeren niet langer voorbehouden is aan insiders met toegang tot alle bronnen. AI maakt het mogelijk om hypotheses te toetsen op een schaal en snelheid die vroeger ondenkbaar waren. Bronnen uit twaalf disciplines in twee avonden doorzoeken en kruisen. Dat kon een individuele onderzoeker niet. Nu kan het wel. Fundamenten die jarenlang onaangetast bleven, worden opeens uitgedaagd door mensen die er nooit eerder naar hebben gekeken. En onherroepelijk blijken dan dat op zijn minst een deel van de bouwstenen van wetenschappelijke pijlers poreuzer waren dan vermoed. Goed nieuws voor de wetenschap, slecht nieuws voor wie zijn reputatie op een poreuze hypothese heeft gebouwd.
Ik ervaar het al mijn hele leven als iemand die van buiten een vakgebied binnenstapt, puzzelstukjes vindt die mensen binnen dat veld niet zien, en dan enthousiast komt vertellen wat hij gevonden heeft. Ik stak meer dan duizend uur in dit proces. Dat is geen weekendhobby. En met die methode vind ik meer dan ooit, en dat is creatief en intellectueel het leukste dat ik ooit ervoer.
De eerste reactie is vrijwel altijd een variant van hetzelfde: dat klopt niet, je begrijpt het veld niet, zo werkt dat niet.
Soms hebben ze gelijk. Ik zit er ook regelmatig naast, en vind dat niet erg, want ik leer er graag van. Maar soms vertalen ze mijn argument terug naar een discussie die ze al kennen, beantwoorden dat, en noemen dat een weerlegging.
Je vindt iets waarvan je behoorlijk goed kunt inschatten dat het klopt, en er is niemand die het met je kan toetsen. Niet omdat ze het niet willen, maar omdat niemand in beide vakgebieden tegelijk thuis is. Dat voelt eenzaam. Toch deel ik het maar, omdat het misschien daardoor een echo oplevert die me wat nieuws leert.
Een wetenschapper met een positie in de academische wereld heeft een reputatie te verliezen als hij ernaast zit. Ik heb een andere reputatie te verliezen: dat ik stop met openlijk vragen stellen, onderzoeken en delen. Wie daar een probleem mee heeft, heeft geen probleem met mij. Die heeft een probleem met hoe kennis groeit.
Ooit bedacht ik de disclaimer op mijn podia:
Dat is de spelregel. Maar wat er in de praktijk mee gebeurt is iets anders. Een hypothese die lang standhoudt trekt publicaties aan. Publicaties trekken citaties. Citaties trekken status en posities en geld. En ergens in dat proces is de hypothese geen hypothese meer maar een fundament. En dan is nieuwe informatie geen kans meer, maar een bedreiging van de status quo.
Wat er nu verandert is dat falsificeren niet langer voorbehouden is aan insiders met toegang tot alle bronnen. AI maakt het mogelijk om hypotheses te toetsen op een schaal en snelheid die vroeger ondenkbaar waren. Bronnen uit twaalf disciplines in twee avonden doorzoeken en kruisen. Dat kon een individuele onderzoeker niet. Nu kan het wel. Fundamenten die jarenlang onaangetast bleven, worden opeens uitgedaagd door mensen die er nooit eerder naar hebben gekeken. En onherroepelijk blijken dan dat op zijn minst een deel van de bouwstenen van wetenschappelijke pijlers poreuzer waren dan vermoed. Goed nieuws voor de wetenschap, slecht nieuws voor wie zijn reputatie op een poreuze hypothese heeft gebouwd.
Ik ervaar het al mijn hele leven als iemand die van buiten een vakgebied binnenstapt, puzzelstukjes vindt die mensen binnen dat veld niet zien, en dan enthousiast komt vertellen wat hij gevonden heeft. Ik stak meer dan duizend uur in dit proces. Dat is geen weekendhobby. En met die methode vind ik meer dan ooit, en dat is creatief en intellectueel het leukste dat ik ooit ervoer.
De eerste reactie is vrijwel altijd een variant van hetzelfde: dat klopt niet, je begrijpt het veld niet, zo werkt dat niet.
Soms hebben ze gelijk. Ik zit er ook regelmatig naast, en vind dat niet erg, want ik leer er graag van. Maar soms vertalen ze mijn argument terug naar een discussie die ze al kennen, beantwoorden dat, en noemen dat een weerlegging.
Je vindt iets waarvan je behoorlijk goed kunt inschatten dat het klopt, en er is niemand die het met je kan toetsen. Niet omdat ze het niet willen, maar omdat niemand in beide vakgebieden tegelijk thuis is. Dat voelt eenzaam. Toch deel ik het maar, omdat het misschien daardoor een echo oplevert die me wat nieuws leert.
Een wetenschapper met een positie in de academische wereld heeft een reputatie te verliezen als hij ernaast zit. Ik heb een andere reputatie te verliezen: dat ik stop met openlijk vragen stellen, onderzoeken en delen. Wie daar een probleem mee heeft, heeft geen probleem met mij. Die heeft een probleem met hoe kennis groeit.
Ooit bedacht ik de disclaimer op mijn podia:
"Ik heb zelden gelijk, maar ik heb wel vaak een punt."
Neem dat mee. Soms onderzoek ik het zelf verder. Soms doet iemand anders het beter. Beide uitkomsten zijn winst.