In 2008 schreef Clay Shirky een boek dat Here Comes Everybody heette. Zijn stelling: als de kosten van samenwerken laag genoeg worden, kunnen gewone mensen doen wat voorheen alleen organisaties konden.
Vijf jaar later schreef Clive Thompson Smarter Than You Think. Zijn aanvulling: mens plus machine is sterker dan mens of machine alleen. Als bewijs gebruikte hij een freestyle schaaktoernooi in 2005, waar twee amateurs met drie gewone computers zowel grootmeesters als supercomputers versloegen. Niet de beste mens wint, of de beste machine, maar de beste samenwerking.
Het waren voorspellingen indertijd, van twee briljante kritische denkers over technologie. Dit stuk is de bevestiging van wat ze destijds zagen, maar het verhaal begint veel eerder dan dat van Shirky en Thompson.
Het begint in 1895, in Brussel, met een man die vrijwel niemand kent. Ik schreef eerder over een forse intellectuele geschiedenis van 250 jaar informatiedenken in ThetaOS in een historisch perspectief. Dit stuk bouwt daarop voort en trekt de lijn door naar wat er nu, in 2026, daadwerkelijk mogelijk is dankzij multi-agentic AI, en dat is iets wezenlijk anders dan een chatbot als ChatGPT.
De man die het internet uitvond, in 1895
Paul Otlet was jurist en bibliograaf. Samen met Henri La Fontaine, die in 1913 de Nobelprijs voor de Vrede zou winnen, begon hij aan iets wat in omvang moeilijk te bevatten is: het catalogiseren van alle menselijke kennis. Zijn Repertoire Bibliographique Universel telde maar liefst meer dan vijftien miljoen indexkaarten. Je stuurde destijds een brief met een vraag aan hem, en zijn team stuurde je dan de relevante kopieën terug. Een zoekmachine, maar al honderd jaar voordat Google werd bedacht.
Maar waar Otlet werkelijk mee bezig was, was diep nadenken over hoe kennis eigenlijk werkt, niet alleen hoe je het opbergt.
Zijn Universal Decimal Classification brak met het Dewey-systeem, waarmee bibliotheken boeken indelen in categorieën. Waar Dewey elk onderwerp op één plek in een boom zette, bouwde Otlet een systeem dat relaties tussen onderwerpen kon uitdrukken. Een boek over de psychologie van architectuur hoorde niet op één plank, maar verbonden met psychologie én architectuur én cultuurstudies, tegelijk. Hij noemde het het principe monographique: documenten ontleden in componenten die je opnieuw kunt combineren. Wikilinks, maar dan al in 1934.
In 1935 beschreef hij een "reseau mondial", een wereldwijd netwerk. De papieren versie van wat we nu Google noemen. Hij ontwierp de Mondotheque, een persoonlijk werkstation voor thuis, verbonden met dat netwerk. Over het Universele Boek schreef hij dat het zou worden als "een aanhangsel van het brein, een mechanisme buiten de geest maar zo dicht erbij dat het werkelijk een extra orgaan zou zijn."
Toen de Duitsers in 1940 België binnenvielen, besloten ze de ruimte die het Mundaneum besloeg te gebruiken voor een tentoonstelling van Derde Rijkskunst. Otlet probeerde in een laatste wanhoopsdaad de Nazi-inspecteurs persoonlijk te overtuigen het werk te sparen. Ze lieten zich niet bewegen. Soldaten vernietigden tientallen tonnen zorgvuldig geïndexeerd materiaal, het hart van zijn collectie. Weken eerder had Otlet nog een telegram gestuurd aan president Roosevelt met het aanbod de hele collectie over te dragen aan Amerika als kern van een nieuw wereldinstituut voor vrede. Roosevelt antwoordde nooit. Otlet stierf in 1944, vier maanden na de bevrijding van Parijs. Zijn werk verdween voor het ook maar begonnen was. Ze vernietigden daarmee het enige systeem dat hun eigen geplunderde kennis strategisch en intellectueel had kunnen benutten.
Wat daarbij ook verdween was de bijdrage van Léonie La Fontaine, zus van Henri. Zij werkte al vanaf 1893 mee aan de catalogusentries voor het Repertoire Bibliographique Universel. Ze richtte vanuit haar eigen huis een informatiebureau op voor vrouwen, verzamelde documentatie over vrouwenrechten en de vredesbeweging, en bouwde binnen het Mundaneum de eerste feministische documentatieafdeling ter wereld. Het Mundaneum erkent haar inmiddels als medeoprichtster, maar in geen enkele standaardgeschiedschrijving over de voorgeschiedenis van het internet komt haar naam voor. Ze stierf in 1949, het jaar dat vrouwen in België eindelijk stemrecht kregen.
Tien jaar later beschreef Vannevar Bush in The Atlantic hetzelfde idee, maar dan in andere woorden. Hij noemde het de Memex: een bureau waarbij gebruikers "associatieve paden" konden aanleggen tussen documenten. Zijn kernzin was:
"Selection by association, rather than by indexing, may yet be mechanized."
Ik vond geen bewijs dat Bush het werk van Otlet kende, en meerdere historici hebben er specifiek naar gezocht. Er was wel een potentiële schakel: Watson Davis, een Amerikaanse pionier in de informatiewetenschap, hij kende zowel Bush als Otlet persoonlijk. Maar in geen enkele bron staat dat hij Otlets werk aan Bush doorgaf, en Bush verwijst nergens naar Otlet. Twee mensen, onafhankelijk van elkaar, met decennia uit elkaar en een Atlantische oceaan ertussen, en toch trokken ze dezelfde conclusie. Dat maakt het argument alleen maar sterker: het idee klopt zo goed dat het zich vanzelf opdringt aan iedereen die er serieus over nadenkt. Iets dat ik inmiddels na drie jaar werken met bidirectionele links kan beamen.
Ted Nelson gaf het idee in 1965 zijn naam: intertwingularity. Alles is diep met elkaar verweven. Je kunt kennis niet netjes in categorieën hakken. Over het web dat uiteindelijk werd gebouwd, zei hij later: "The World Wide Web is precisely what we were trying to PREVENT." Hij was één van de twee uitvinders van de hypertekst.
Waarom hiërarchie telkens won
Otlet, Bush en Nelson kwamen onafhankelijk op hetzelfde uit. En toch verloor het denken in kennisnetwerken keer op keer van het denken in hiërarchische structuren, iets dat je ook terugziet in hoe moderne organisaties nog steeds, tegen beter weten in, georganiseerd zijn alsof we nog in het industriële tijdperk leven.
Rond 1900 introduceerde het Library Bureau, een Amerikaans bedrijf dat kantoormeubels en archiefsystemen produceerde, de verticale archiefkast. Elk document kreeg één plek in één map. Craig Robertson beschrijft in The Filing Cabinet hoe dit meubelstuk het concept informatie zelf veranderde: informatie werd iets wat je kunt isoleren, extraheren, loskoppelen van zijn context.
In 1981 keek David Canfield Smith bij het ontwerpen van de Xerox Star-interface letterlijk om zich heen en maakte een icoon van alles wat hij zag. Het eerste mapicoon in de computergeschiedenis is gemodelleerd naar de manila folder, de beige kartonnen dossiermappen die in elk kantoor lagen. Apple nam het over in 1984 met de Macintosh. Microsoft volgde in 1985 met Windows. In 1989 koos Tim Berners-Lee bij CERN voor eenrichtingslinks, bewust, omdat Nelsons bidirectionele links een centrale database vereisten die het web niet had laten groeien.
In 1981 keek David Canfield Smith bij het ontwerpen van de Xerox Star-interface letterlijk om zich heen en maakte een icoon van alles wat hij zag. Het eerste mapicoon in de computergeschiedenis is gemodelleerd naar de manila folder, de beige kartonnen dossiermappen die in elk kantoor lagen. Apple nam het over in 1984 met de Macintosh. Microsoft volgde in 1985 met Windows. In 1989 koos Tim Berners-Lee bij CERN voor eenrichtingslinks, bewust, omdat Nelsons bidirectionele links een centrale database vereisten die het web niet had laten groeien.
Hiërarchie is makkelijker te bouwen, makkelijker te controleren, en voor instellingen makkelijker te beheren. Wie de categorieën bepaalt, bepaalt wat er bestaat. Dat is geen technische keuze maar een machtsstructuur, en die levert voor de machthebbers de illusie van controle op. Voor de mensheid levert het een groot vraagstuk op: ons hoofd denkt niet in hiërarchieën maar in verbanden. Dat is namelijk hoe onze hersens werken.
Jouw brein werkt anders dan je systemen
Je werkt waarschijnlijk met mappen. Je e-mailclient heeft een mappenstructuur. Je bestanden leven in een hiërarchie van schijven en submappen, en elke keer als iets op meerdere plekken tegelijk thuishoort, verlies je. Niet omdat je slecht georganiseerd bent, maar omdat het systeem je dwingt te kiezen waar iets ligt, terwijl je brein het verbindt met meerdere contexten tegelijk.
Je brein maakt geen kopie van een herinnering voor elke categorie waar ze in past. Het legt verbindingen.
Georges-Louis Leclerc de Buffon zag dat in 1749 al. Hij keek naar dezelfde natuur als Carl Linnaeus en zag iets anders dan hem: de natuur moet je niet in hokjes delen, maar in relaties. "De natuur kent slechts individuen en kan niet in logische categorieën worden geplaatst." Het ontbrak hem destijds aan technologie om dit allemaal waar te maken.
Alexander von Humboldt deed een halve eeuw later wat Buffon niet kon: hij bracht het in de praktijk. Vijf jaar lang reisde hij door Zuid-Amerika en combineerde klimaatdata, hoogtemetingen, geologie, plantkunde en menselijke cultuur in één samenhangend beeld. Zijn Naturgemälde uit 1807 was geen kaart van soorten maar een kaart van verbanden, juist zonder disciplines of hokjes. Hij noemde het de eenheid van de natuur. De methode klopte. Ook hij had toen nog niet de middelen om het op te schalen voorbij wat één mens in een leven kon waarnemen.
Het terugkerende patroon in de 250 jaar denken over informatie is dat de ideeën klopten, maar de middelen ontbraken. Tot nu.
Een zondag onder een amandelboom
Op Cyprus, onder een amandelboom, begonnen mijn inzichten hierover met een simpele vraag. Een vriend had iets gezegd over blauwzuur in amandelpitten en kanker. Het klonk niet onaannemelijk maar ook niet bewezen. Ik had de tijd en verdiepte me erin, maar met meerdere AI-agenten van Claude Code tegelijk.
Aan het eind van die zondag had ik drie wetenschappelijke domeinen doorkruist: celbiologie, klinische oncologie en farmacokinetiek. Er lag een verband dat voor zover te vinden niet eerder was opgeschreven. Blijkbaar had vijftig jaar lang iedereen naar het verkeerde molecuul gekeken — een hypothese die ik documenteerde en publiceerde op Zenodo, en die ik beschreef in dit blogbericht. Er kwam een ORCID — een unieke onderzoekersidentificatie voor wie iets publiceert — een publicatie op Zenodo, een open wetenschappelijk archief van CERN, en een mail naar de onderzoekers in Japan.
Ik ben geen wetenschapper, en dat heb ik nooit geambieerd. Maar wel een technologiefilosoof met een laptop en krachtige AI die hielp met vragen beantwoorden, cross-checken en fact-checken, behept met een extreme dosis nieuwsgierigheid.
Een paar weken later dook ik in de wereld van genealogie en kwam ik een gekke familienaam tegen ergens in een verre bloedlijn: Mundrichts. Dat triggerde iets. Wat volgde was een week Ripuarisch-Frankische genealogie, onomastiek, prosopografie en diplomatiek, disciplines die mij een week eerder volkomen onbekend waren. Ik volgde een hypothetische lijn van een Frankische prins uit 445 naar Karel de Grote. En gebruikte een scanner die systematisch de toegankelijkheid van alle online archieven analyseert. En omdat de output niet meer alleen door mijn hoofd te verwerken was, creëerde ik een virtueel team van 13 AI-denkagents met elk een eigen redeneerstijl en logica.
Allemaal in mijn eentje, zonder budget of organisatie. Met in een paar uur tijd hard bewijsbaar resultaat.
De socioloog die dit al voorzag
Ronald Burt onderzocht waar creativiteit vandaan komt in netwerken. Zijn antwoord: niet van de best verbonden knooppunten, maar van mensen die gaten overbruggen tussen clusters die niet met elkaar praten. Hij noemde het structural holes in networks en formuleerde het zo:
"Creativity is an import-export business."
Dat is precies wat er op die zondag gebeurde. Een patroon uit de celbiologie, geabstraheerd, geëxporteerd naar de farmacokinetiek. Databasekennis uit de informatica, geëxporteerd naar de mediëvistiek. Wie diep graaft, graaft smal. Dat is geen bewuste keuze, maar dat is nu eenmaal hoe specialisatie werkt. Shirky noemde dat het Shirky Principle: instellingen proberen het probleem in stand te houden waarvoor zij de oplossing zijn. De archivaris beschermt het archief. De oncoloog beschermt het behandelprotocol. De blinde vlek is lastig te zien, of zelfs onzichtbaar, vanuit binnenin.
Een buitenstaander heeft dat belang niet. Een buitenstaander met AI heeft nu ook de cognitieve middelen om er iets mee te doen.
David Epstein beschreef in Waarom generalisten beter zijn hoe generalisten verbanden zien die specialisten missen. Maar Epsteins generalisten hadden jaren nodig om genoeg te leren van een nieuw domein. Het vinden van het uitbetalingsbonnetje van de waterloofgratificatie aan de betovergrootvader van mijn oma kostte me een half uur, terwijl ik in gesprek was met mijn moeder over de familie. Dat is een paradigmaverschuiving in wat er nu kan, niet iets dat wellicht ooit in de toekomst zal zijn, maar nu, en bereikbaar voor iedereen met een laptop.
De abstractielaag die alles verschuift
Vorige week publiceerde Clive Thompson in de New York Times een lang stuk over wat er met programmeurs gebeurt: Coding After Coders. Hij interviewde meer dan zeventig softwareontwikkelaars bij Google, Amazon, Microsoft en startups. Zijn conclusie is: programmeurs schrijven geen code meer. Ze beschrijven in gewone taal wat ze willen, en de AI vertaalt. Boris Cherny, die bij Anthropic leiding geeft aan Claude Code, schrijft nu honderd procent van zijn bijdragen aan de codebase via Claude. Zonder zelf ook maar een regel te typen. Net als ik. Ik gebruik overigens spraak en geen toetsenbord.
Het sterkste voorbeeld in Thompsons stuk is Maxime Cuisy, een drukkerijmanager uit Parijs met een masterscriptie over de Franse graphic novel en geen enkele programmeerervaring. Toen zijn bedrijf een softwareprobleem had dat te klein was om een ontwikkelaar voor in te huren, bouwde hij zelf een werkende app in een middag. Hij heeft geen idee hoe de code werkt. De vaardigheid was niet meer nodig, maar het resultaat wel. Cuisy is de Cyprus-zondag, maar dan voor programmeren.
Thompson verklaart dit via het begrip abstractie: elke generatie programmeertalen voegt een laag toe die meer complexiteit voor je verbergt. AI is de laatste laag. Hij eindigt met een zin die verder reikt dan software: "Abstraction may be coming for us all."
Thompson beschrijft de abstractie van uitvoering binnen één vakgebied: je hoeft de codetaal niet meer te kennen om software te maken. Wat hier beschreven wordt is de abstractie van de grenzen tussen vakgebieden: je hoeft de domeintaal niet meer te kennen om de patronen te herkennen. Dat is niet dezelfde beweging, één laag verder, maar een heel andere beweging zelfs.
Er is ook een derde element dat Thompson onderschat, hoewel Garry Kasparov het al in 2005 scherp formuleerde. In het freestyle schaaktoernooi van dat jaar versloegen twee amateurs met drie gewone computers zowel grootmeesters als supercomputers. Thompson vertelt dat verhaal in Smarter Than You Think, maar legt de nadruk op de mens-machine-combinatie. Kasparov trok een scherpere conclusie: "Weak human + machine + better process was superior to a strong computer alone and, more remarkably, superior to a strong human + machine + inferior process." Hij noemde die combinatie een centaur: half mens, half machine.
Het derde element is het proces. Niet mens plus machine, maar mens plus machine plus een goed ontworpen denkproces. Cramton en Stephen wisten wanneer ze de computer moesten volgen en wanneer niet. Ze hadden, in Kasparovs woorden, geleerd hun computer te besturen als een Formule 1-rijder zijn auto.
Op Cyprus was dat derde element de ontologie en de structuur van het redeneerproces: meerdere denkagents met elk een eigen perspectief, een werkwijze die bepaalde wanneer een hypothese standhield en wanneer niet. Zonder dat proces was er alleen een laptop met een chatvenster. Met dat proces ontstond iets wat op heel gedegen en nauwgezet onderzoek leek.
Thompson stelt ook de Jevons-paradox als verklaring voor de groei: als iets goedkoper wordt, doen we er meer van. Dat klopt voor uitvoering. Maar voor verbonden kennis geldt iets anders. Als verbindingen toenemen, wordt elk element meer waard. Dat is niet meer van hetzelfde, dat is emergentie. Dat is precies het punt van Niklas Luhmann, niet van Jevons.
Dan hoeft een gek niet alleen meer vragen te stellen dan duizend wijzen kunnen beantwoorden. Dan kan hij ook de antwoorden vinden. Nagenoeg gratis, en in no time en met gemak in 14 vakgebieden tegelijk.
Het datanetwerkeffect
Otlet droomde in 1935 van een "organe annexe", een aanhangsel van het brein. Bush beschreef tien jaar later een "enlarged intimate supplement to memory". Nelson formuleerde het in 1965 als "everything is deeply intertwingled". Drie denkers over informatie, in drie decennia en op twee continenten, maar steeds met hetzelfde diepe verlangen: een systeem dat meedenkt, dat verbindingen legt die je zelf niet meer hoeft te leggen en dat slimmer wordt naarmate het groeit.
Ik werkte afgelopen half jaar onvermoeibaar aan ThetaOS, iets dat ik een LLS noem, een Life-Lens-System. Bij gebrek aan bestaande oplossingen, voortbouwend op wat ik van hen leerde en wat de recente technologie mogelijk maakte. Een web van kennis en informatie dat nauw verbonden emergente effecten oplevert die mijn inzichten en ideeën verbeteren en mijn slagkracht fors vergroten.
Luhmann noemde zijn Zettelkasten zijn communicatiepartner. Hij begreep dat een systeem van verbonden kenniseenheden emergentie produceert: het geheel wordt meer dan de som der delen. Maar Luhmann werkte met papier en alleen met ideeën. Wat nu anders is: de verbindingen ontstaan automatisch, mits de structuur klopt. Je hoeft niet meer zelf te linken, als je ontologie maar klopt. De AI en de wikilinks doen de rest.
Ik krijg eindelijk samengestelde rente op mijn waardevolle informatiekapitaal. En het versterkt zichzelf en wordt per week slimmer, beter, sneller en krachtiger.
Here Is Everybody
Shirky voorspelde dat de coördinatiekosten zouden verdwijnen en Thompson voorspelde dat mens plus machine sterker zou zijn dan beide apart. Geen van beiden voorzag dat het tegelijkertijd zou gebeuren in één persoon.
Kasparov zag de centaur op een schaakbord. Shirkys everybody was feitelijk een groep. Wat er nu bestaat is een centaur die alleen opereert: een individu met AI-versterkte cognitie dat domeinen doorkruist die voorheen alleen toegankelijk waren voor gespecialiseerde teams.
Buffon zag het in 1749. Otlet bouwde het in 1895. Bush droomde ervan in 1945. Nelson noemde het in 1965. Ze hadden allemaal gelijk, maar de technologie was er nog niet terwijl de intellectuele traditie er al anderhalve eeuw was. We zijn op een kruispunt aanbeland nu.
Here Comes Everybody was de voorspelling. Smarter Than You Think was het mechanisme. Here Is Everybody is het bewijs.
En het enige dat je nodig hebt is nieuwsgierigheid, een vrije zondag, en een reputatie te verliezen dat gebouwd is op status in plaats van inhoud.